Vorige week stelde Patrick Janssens zijn boek 'Voor wat hoort wat' voor. Een belangrijk boek, over de toekomst van het sociaal beleid in de stad en in onze welvaartsstaat. En dus een debat meer dan waard. Vandaag publiceerde De Standaard een eerste reactie van Meyrem Almaci, Freya Piryns en mezelf. U vindt het opiniestuk ook hier.

Voor wie hoort wat?
Met ‘Voor wat hoort wat’ levert Patrick Janssens de sterkste one-liner voor activering tot nog toe. Een slogan die de verdediging vormt van zijn sociale beleid, maar ook een voorsmaakje van wat komt. Met het boek start hij een belangrijk debat over de toekomst van de sociale zekerheid en van sociaal beleid in een steeds diversere stad. Dat debat is nodig.

Als groenen maken ook wij ons zorgen over het dalende draagvlak voor sociaal beleid. En jawel, ook wij vinden dat uitkeringen en sociale voorzieningen niet vrijblijvend mogen zijn en dat mensen de verantwoordelijkheid hebben om kansen te grijpen. Ook wij willen een sociaal beleid dat bijdraagt aan integratie in de stad. Hoe maken we van stad en OCMW – meer dan vandaag - emancipatiemachines, waar oude en nieuwe stadsbewoners hun leven kunnen uitbouwen en vooruitkomen?
Voor wie hoort wat?

Toch bekruipt ons na lezing een gevoel van eenzijdigheid. In het pleidooi van Janssens dreigen kostbare evenwichten verloren te gaan. Niet toevallig vinden zowel Bea Cantillon als Frank Vandenbroucke ‘voor wat hoort wat’ een te beperkte visie op ons sociaal model. Deze invulling van wederkerigheid gaat te kort door de bocht. Voor ons moet een sociaal beleid van de stad zowel eerlijk als effectief zijn.

De vraag ‘Voor wie hoort wat’ is essentieel. Het nieuwe sociaal contract van Janssens moet er vooral komen met de ‘lastige’ klanten: de mensen met lage inkomens, leefloners of nieuwkomers. Bea Cantillon slaat echter de nagel op de kop, als ze stelt dat ‘wederkerigheid een houding zou moeten zijn die niet alleen van de zwakken in de samenleving wordt geëist maar ook van de sterken. Wederkerigheid mag niet uitsluitend van de leefloontrekkers verwacht worden, maar geldt voor álle gebruikers van voorzieningen van de welvaartstaat, ook en vooral voor de sterkeren.’ De stralende 'A' mag geen wrange bijsmaak krijgen van A- en B-burgers.

De dunne lijn naar uitsluiting

Het voorgestelde ‘nieuw sociaal contract’ wil meer wederkerigheid van wie beroep doet op de welvaartsstaat. Maar meer verantwoordelijkheid mag niet leiden tot minder rechtvaardigheid. Het Antwerpse OCMW is niet alleen meer een laatste vangnet, maar voor vele nieuwkomers ook een eerste opstap. Het doorgedreven activeringsbeleid kent succes.

Maar ‘Voor wat hoort wat’ kan ook doorslaan. Hetzelfde OCMW gaat nu reeds verder in de wederkerigheid dan het boek bepleit. Het eist niet alleen wederkerigheid vanaf het moment dat iemand beroep doet op sociale voorzieningen, maar stelt het steeds vaker als voorafgaande voorwaarde, iets wat in het verleden moest zijn gerealiseerd. Het OCMW weigert bijna systematisch steun aan behoeftige EU-onderdanen, bij gebrek aan wederkerigheid in het verleden. Omdat mensen hun verleden zelden kunnen veranderen, blijven ze nu behoeftig. Het Antwerpse OCMW schafte ook zijn huur- en verwarmingstoelagen af voor nieuwkomers, zolang ze in het vreemdelingenregister staan. De verhoogde aanvullende bijstand is er enkel voor mensen in het bevolkingsregister die ooit gewerkt hebben. Wederkerigheid versus menselijk waardigheid: het blijkt heel moeilijk balanceren op de smalle koord tussen ‘voor wat hoort wat’ en uitsluiting zonder laatste vangnet. Hoe ver kan je gaan in de bijstand door mensen die regulier verblijven geen of een veel beperktere toegang tot sociale voorzieningen te geven, zonder te discrimineren op basis van herkomst en zonder een onderklasse te creëren in de stad? Wat gebeurt er met die groep mensen? Dat is dé lacune in dit nieuwe boek.

De kritiek op de welzijnssector verdient een uitgebreider debat. Natuurlijk mag een stad resultaten vragen van sociale organisaties. Maar waar blijven de resultaatsverbintenissen van het stadsbestuur als het gaat om armoedebestrijding of voldoende sociale woningen? Het OCMW krijgt amper investeringsruimte, behalve voor ouderenvoorzieningen. Hoe rijmen we het te strakke budgettaire carcan van het OCMW met het principe van wederkerigheid in een stad waar de demografische en sociale uitdagingen sneller groeien dan het sociaal beleid? Het aandeel sociale woningen daalt, terwijl de bevolking en dus de prijzen sterk stijgen. Kinderopvang en scholen kennen een stijgend gebrek aan plaatsen. De wachtlijsten voor lessen Nederlands blijven onaanvaardbaar hoog. En iedereen weet hoe zwaar de stad kampt met tekort aan capaciteit in de bijzondere jeugdzorg, in de verslavingszorg, in de geestelijke gezondheidszorg, in begeleid zelfstandig wonen, … De Vlaamse overheid en de stad zullen hun sociale investeringsagenda drastisch moeten opdrijven om de groei van de stad en van haar sociale noden te kunnen volgen en aan te pakken.

Met wie beslissen we wat?

Blijft een laatste vraag: met wie beslissen we wat? Een nieuw sociaal contract is nodig, niet alleen omdat populistische kritieken het draagvlak van de welvaartsstaat onder druk zetten, maar vooral omdat met de globalisering het aantal stadsbewoners met een migratiegeschiedenis stijgt en zij al te vaak in armoede belanden. ‘Voor wat hoort wat’ zou al minder eenzijdig klinken wanneer het een verhaal in dialoog zou worden, en ook de ‘andere’ kant sterker aan bod zou komen. Wat brengen zij bij aan de stad?

Antwerpen loopt als sociaal laboratorium vooruit op de welvaartsstaat. Willen we sociale explosies vermijden, moeten we verder gaan dan het gevoerde beleid. Die issues aanpakken die ons nog pijn doen. Hoe en waarom vallen nog te veel mensen uit waar het beleid niet succesvol blijkt: de te grote groep schoolverlaters zonder diploma, de sociaal tewerkgestelden die erna niet aan een job geraken, de groeiende groep met psychische of verslavingsproblemen. Of de alleenstaande Turkse vrouw met vier kinderen wiens succesverhaal betekent dat zij terechtkomt in een hamburgerjob met onregelmatige uren en weekendwerk. Dan kan het enige antwoord van de stad toch niet nog flexibilere kinderopvang zijn? Stopt onze verantwoordelijkheid daar? Hoe gaat het verhaal van die kinderen verder? Antwoorden op deze vragen vereisen dialoog en een stadverbindend debat, zoals Vandenbroucke zo treffend verwoordde. Ook dat hoort bij een discours van rechten, plichten en verantwoordelijkheden. Dat debat moeten we dan wel met alle inwoners voeren.Want élke Antwerpenaar verdient het perspectief op vooruitgang, op de stralende ‘A’.

Dirk Geldof, socioloog en OCMW-raadslid
Freya Pirijns, fractieleidster gemeenteraad en senator
Meyrem Almaci, fractieleidster Kamer

(verschenen in De Standaard, 4 juli 2011)