Zaterdag 24 november is het een symbolische Niet-Winkeldag of Koop-Niets-Dag, waarbij men oproept om één dag niets te kopen. Deze internationale protestdag tegen de consumptiecultuur pleit voor bezinning over de gevolgen van onze overconsumptie. De Canadees Ted Dave startte in 1992 met de "Buy Nothing Day". Vanaf 1993 volgden acties in de Verenigde Staten, Engeland en Ierland. Sindsdien volgden ook Nederland, Australië, Nieuw-Zeeland, Japan, Zweden, België, Duitsland, Noorwegen, Finland, Polen en Slovenië. De klimaatopwarming maakt de dag relevanter dan ooit.

De dag wil consumenten bewust maken van de gevolgen van hun consumptiepatroon. Maar het blijft een symbolische dag: dat weten de winkelketens als geen ander. Sinterklaas staat voor de deur en het is file in alle speelgoedafdelingen. De kerstman trappelt al ongeduldig aan de winkeldeur. De rest van het jaar groeit de omzet week na week. De beheerders van betaal- en kredietkaarten zullen ook dit jaar weer nieuwe betaalrecords melden. En onmiddellijk na Nieuwjaar start de koopjesjacht.

Tegenover alle winkelgeweld en de even verleidelijke als verleidende reclames klinken de oproepen voor een niet-winkeldag op het eerste gehoor wat archaïsch, soms zelfs kneuterig. Sommige van de acties zijn dat ook. Mensen genieten van hun consumptie, zeker op een zaterdag. Ze hebben er de hele week voor gewerkt; ze hebben het toch verdiend. Dus laat biepen die betaalkaart.

Toch is het niet al (klater)goud wat blinkt. Wetenschappers leren ons dat er meer dan één reden is voor een breed debat over onze consumptie, levensstijlen en het achterliggende economisch en milieubeleid. Anno 2007 consumeren we ons en onze planeet kapot, zonder dat meer consumptie ons gelukkiger maakt. Dat is de paradoxale toestand in Nederland, in België en in de meeste westerse landen. We botsen op de grenzen van wat onze planeet en van wat wijzelf aankunnen.

Onze ecologische voetafdruk trapt de aarde plat. Wij consumeren alsof we drie tot vier planeten hebben. Die zijn er niet: ons hoge consumptiepeil is maar mogelijk omdat 80% van de wereld minder heeft, veel minder. Wereldwijd consumeren we méér dan onze planeet duurzaam aankan: onze consumptie vreet de voorraden van onze kinderen en kleinkinderen. Het geleidelijk leegvissen van de Noordzee of het verdwijnen van de regenwouden zijn herkenbare voorbeelden, maar het gaat evengoed om de voorraden van olie, gas of basisgrondstoffen of om de klimaatopwarming. De komende top van Bali heeft niet alleen met beleid, maar ook met consumptie en levenstijl te maken.

Duurzaam consumeren blijft voorlopig een niche. Er is dringend meer eco-efficiëntie nodig: minder grondstoffen en energie gebruiken, maar ook producten beter ontwerpen. Toch volstaan spaarlampen of hybride wagens alleen niet, als de milieuwinst van duurzame productie en consumptie verloren gaat aan steeds nieuwe consumptie en behoeften. In het rijkste deel van de wereld moeten we ook ons consumptieniveau terugschroeven. Oneindige behoeften kunnen niet in een eindige wereld. Dus wordt een debat over levensstijlen onvermijdelijk.

Dat is zeker zo nu nog meer consumptie niet langer leidt tot meer welzijn en geluk. En dat is de grootste paradox. We krijgen stress van het exces. Mensen kunnen kiezen uit 100 abonnementsformules voor hun mobiele telefoons of 50 soorten ontbijtgranen, maar velen hebben niet langer de keuze om samen te ontbijten. Ons beeld van vrijheid verschrompelt tot vrijheid om te kunnen consumeren. Om alles te betalen, werken velen zich te pletter of steken zich in schulden. Steeds meer mensen trappen op hun adem in een rat-race van werken en consumeren. Alsof we niet méér kunnen genieten door af te toe minder te consumeren.

Waar een niet-winkeldag consumenten wil doen stilstaan bij hun consumptiewijze, bestaat het gevaar dat men alle gewicht op de schouders van individuele burgers legt. Als burger hebben we natuurlijk een verantwoordelijkheid. Vandaag willen vele consumenten soms zo goedkoop consumeren, dat ze als burger niet willen weten hoe de prijs zo laag kan zijn... Willen we echt geen euro méér betalen als het speelgoed van de sint voortaan wel voor kinderen is gemaakt, maar niet door kinderen? Of wanneer we zeker zijn dat het geen giftige stoffen bevat, nietwaar Mattel?

Duurzame consumptie bereik je echter niet door te moraliseren, wel door duurzame keuzes aan te bieden. Zowel overheid, producenten als consumenten hebben hierbij een rol. Dat vraagt een sterker beleid: de overheid moet zorgen dat duurzame consumptie ook ‘de beste koop’ wordt. Want oneerlijk concurrentie van bedrijven in binnen- en buitenland die sociale regels en milieuvoorschriften aan hun laars lappen, maken het bedrijven die duurzamer produceren nu knap lastig.

Op deze niet-winkeldag zullen de rijen aan de kassas even lang zijn als op andere zaterdagen. Maar de grenzen van onze planeet, de opwarming van de aarde en de groeiende kloof tussen stijgende welvaart en stagnerend geluk maken een debat over onze hyperconsumptie, onze levensstijl en onze economie onvermijdelijk. Want onze aarde is eindig, en geluk niet te koop.

Meer lezen? Zie 'We consumeren ons kapot'