Op 1 januari 2015 stierf de Duitse socioloog Ulrich Beck. De voorbije 30 jaar was hij voor mij één van de meest inspirerende sociologen, die vanuit een breed perspectief de snelle maatschappelijke veranderingen probeerde te kaderen en te vatten. Daarmee was hij vaak vernieuwend en verbredend, zoals in zijn analyse van onze samenleving als risicomaatschappij, zijn studie van individualisering en veranderende gezinsrelaties of zijn kijk op globalisering vanuit een kosmopolitische blik. Van daaruit was het een kleine stap naar de aandacht voor diversiteit in zijn recentere werk.

Eén van zijn laatste werken was opnieuw met zijn partner Elisabeth Beck-Gernsheim geschreven: 'Fernliebe. Lebensformen im globalen Zeitalter'. In Alert schreef ik er een uitgebreide bespreking over deze 'Gezinnen over grenzen'.

Ik heb het altijd een voorrecht gevonden om met zijn analyses en theorieën te mogen werken. In mijn boek 'Onzekerheid; Over leven in de risicomaatschappij' vormt het werk van Beck de belangrijkste invalshoek. Maar ook in 'Superdiversiteit. Hoe migratie onze samenleving verandert' gebruik ik zijn kosmopolitische blik.

In De Standaard van 10/1/2015 schreef Rudi Laermans een mooi overzichtartikel van zijn werk. Ik neem zijn overzicht als hommage hieronder graag over:

"De mens en/in zijn milieu. Na de dood van socioloog Ulrich Beck (1944-2015)
Rudi Laermans (Hoogleraar sociale wetenschappen (KU Leuven).
Uit: De Standaard, 10 januari 2015

"Een groot theoreticus was hij niet en voor gedegen empirische analyses was je bij de onlangs overleden socioloog Ulrich Beck evenmin aan het juiste adres. Toch is hij wereldwijd een van de meest geciteerde sociale wetenschappers. Rudi Laermans schetst een portret van een immer vooruitziend academicus die het publieke debat niet schuwde.

Wat? Aan Ulrich Beck danken we de huidige betekenis van het woord ‘individualisering’: we worden niet per se egoïstischer, maar kunnen dankzij de bevrijding van de zuilen net verantwoorder keuzes maken.

Ulrich Beck behoorde tot een zeldzame soort sociologen. Het slag dat zonder overbodig jargon een breed maatschappelijk verhaal kan vertellen en je daarbij ook nog eens met nieuwe ogen naar overbekende thema’s laat kijken.

Zo hameren sociologen er graag op dat we in een sociaal ongelijke wereld leven, waarbij het haast altijd gaat over inkomens- en diplomaverschillen. Risikogesellschaft, de bestseller uit 1986 waarmee Beck internationaal doorbrak, bewandelt een andere weg en was het eerste boek dat de milieukwestie sociologisch serieus nam. Uiteraard zijn ook milieurisico’s deels ongelijk verdeeld: de meer gegoeden wonen doorgaans in gezondere wijken dan minder welgestelden. Maar radioactieve straling of anderszins vervuilde lucht houdt zich aan nationale noch klassengrenzen. Bij milieurisico’s zitten we inderdaad meer dan eens in hetzelfde schuitje. Vooral op de langere termijn creëren ze vaak bedreigingen die voorbij klasse of stand gaan. Daarin liggen nieuwe kansen voor solidariteit, zo hield Beck niet op te herhalen onder verwijzing naar allerhande burgerinitiatieven of ‘subpolitiek’ van onderop.

‘Subpolitiek’ is een typische Beck-uitdrukking: wervend, maar tevens een vaag containerbegrip omdat het slaat op alle soorten acties of beslissingen die raken aan het algemeen belang, zonder zich echter te voegen naar de strakke agenda’s van partijen of wettelijke procedures. Bedrijven die duurzaam in de voedselketen ingrijpen, met mogelijke gezondheidsgevaren, doen eveneens aan ‘subpolitiek’. Die losse invulling laat een van Becks belangrijkste lessen onverlet: je kan vandaag niet langer officiële politiek bedrijven los van de niet-officiële ‘subpolitiek’. Daarbij verzette Beck zich wel tegen de tendens om alleen georganiseerde lobbygroepen en ngo’s een stem in de besluitvorming te geven.

De wetenschap en haar risico’s

In de risicosamenleving zijn we ons van langsom meer bewust van de mogelijke negatieve effecten die de grootschalige toepassing van wetenschappelijke inzichten met zich brengt (kernenergie blijft het voorbeeld par excellence). Beck spreekt daarom van een tweede of reflexieve moderniteit waarin het traditionele vooruitgangsgeloof kaduuk wordt. Tegelijk kan alleen wetenschappelijke kennis ons terdege informeren over de risico’s die ze zelf mee produceert. Een appel kan er zeer smakelijk uitzien; dat hij radioactief besmet is of boordevol gevaarlijke toxines zit, is niet meteen zichtbaar en enkel ‘weetbaar’ dankzij expertkennis. Het is een paradox die heel Becks werk doordringt: wetenschap creëert risico’s die we uitsluitend dankzij nog méér wetenschap kunnen kennen en remediëren. Becks pleidooi voor een ‘ecologische verlichting’ maant aan om kritisch om te gaan met de bepaling van bijvoorbeeld grenswaarden inzake vervuiling, maar plaatst bio-ingenieurs of andere specialisten nooit in het verdomhoekje, integendeel.

Gaandeweg gaf Beck aan de notie ‘risicomaatschappij’ een bredere betekenis. Ook hij observeerde dat de financiële economie zich steeds meer loszong van de reële productie van goederen of diensten en daarbij naar een speculatieve investeringslogica neigt. Dat houdt eveneens risico’s in met een mondiale impact, zo weten we sinds de financiële crisis van 2008. Maar de risicosamenleving, dat is ook het leven van alledag, dat beduidend meer dan voorheen in het teken staat van de onzekere uitkomsten van individuele beslissingen.
Worden we echt egoïstischer?

Hij vond het woord niet zelf uit, maar aan Beck danken we wel de thans gangbare betekenis van de term individualisering. Legio zijn de lamento’s over toenemend egoïsme en een navenant afnemende solidariteit en burgerzin. Deze uitingen van doorgeschoten individualisering benemen nogal eens het zicht op de kern van de zaak. Een samenleving met kwakkelende tradities verplicht simpelweg tot meer autonome keuzes, die niet ook per definitie egoïstischer zijn. Wie is bevrijd van religieuze, ideologische of andere verzuilde richtingwijzers, kan bijvoorbeeld evengoed opteren voor een ecologische levensstijl. Individualisering is evenmin een kwestie van vrijheid-blijheid. Zo werden we beduidend afhankelijker van de verzorgingsstaat. Samen met de consumptiesamenleving waarborgt hij mee een reële keuzevrijheid in domeinen als cultuur of onderwijs. Hij springt tevens in de bres wanneer directe solidariteitsverbanden als gezin of wijk geen soelaas meer bieden, niet het minst wanneer individuele keuzes verkeerd uitdraaien. Want kiezen is risico’s nemen: je weet niet of je studie ook de weg plaveit richting een succesvolle carrière. Overigens was enig vooruitgangsoptimisme Beck niet vreemd. Dat de sociale ongelijkheid blijft doorwerken in individuele keuzes, placht hij veelal te negeren.

Na de jongste eeuwwende focuste Beck voornamelijk op het proces van globalisering. Zelf heeft hij het over ‘kosmopolitisering’ bij de groeiende transnationale verwevenheid in domeinen als economie en politiek of de intieme sfeer (Fernliebe, of liefde-op-afstand, zo heet een van zijn laatste boeken over ‘levensvormen in het globale tijdperk’, geschreven samen met zijn vrouw Elisabeth Beck-Gernsheim). Natiestaten boeten aan belang in, maar dat willen veel sociologen niet echt geweten hebben. Beck gispte de ‘zombie-sociologie’, die de sociale ongelijkheid nog steeds de maat neemt aan de hand van internationale vergelijkingen binnen Europa en geen oog heeft voor bijvoorbeeld de samenhang tussen de ongelijkheid in Vlaanderen en die in China. Dat je hier voor geen geld een jeansbroek kan kopen omdat ginds een loon van niks wordt betaald, is de evidentie zelve. Toch veronachtzamen de meeste metingen van sociale ongelijkheid dit verband: zij getuigen van ‘methodologisch nationalisme’.

De wereld werd kosmopolitischer, maar de verdediging van nationale belangen blijft richtinggevend. Beck bepleitte daarentegen een ‘kosmopolitische realpolitik’, die het verlies aan wetgevende autonomie gecompenseerd weet door een surplus aan reële soevereiniteit. Je kan bijvoorbeeld als natiestaat zelf minder regels maken in EU-verband, maar een gemeenschappelijk kader voor bankoperaties of vermogensbelastingen geeft elke lidstaat wel meer grip op het economisch gebeuren binnen de eigen landsgrenzen. Beslissingsmacht afstaan aan een hoger niveau om als staat een groter stuurvermogen te verwerven: dit kosmopolitisch perspectief moet de EU stutten, zo betoogde Beck contra het ‘merkelianisme’ dat haar thans bedreigt.

Breeddenker

Ulrich Beck was bij uitstek een breeddenker die lopende evoluties graag uitvergrootte en geregeld stelling nam in het publieke debat. Een modale academicus was hij bepaald niet, daarvoor dacht hij te zeer voorbij de ingeburgerde consensus, zonder dekking door een sluitende theorie of een batterij aan feiten. Op zijn werk valt dan ook veel af te dingen, maar tegelijk is het een toonbeeld van sociologische verbeeldingskracht. Beck was het soort sociale wetenschapper waarvan we er altijd te weinig zullen hebben."

Rudi Laermans (Hoogleraar sociale wetenschappen (KU Leuven).
Uit: De Standaard, 10 januari 2015