‘Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid’ is een bijzonder boek. Niet alleen omdat het relevante vragen stelt, ook omwille van de auteur. Begin augustus 2010 overleed Tony Judt. De Britse historicus schreef en dicteerde het boek tijdens zijn strijd tegen zijn ongeneeslijke ziekte, waarbij geleidelijk alle spieren verlamd raakten, maar brein en bewustzijn intact bleven. In die omstandigheden blijven denken, en blijven denken aan een betere samenleving en politiek, verdient meer dan respect, bijvoorbeeld door te blijven stilstaan bij zijn werk.

De inleiding van het essay ‘Het land is moe’ is meteen scherp: ‘Er is iets fundamenteel mis met de manier waarop we vandaag leven. Dertig jaar lang hebben we de jacht op materieel eigenbelang als een deugd beschouwd; die jacht is tegenwoordig het laatste restant van ons gevoel voor een collectieve zaak (p. 13).’ Judt bekritiseert het materialisme en het egoïsme die het hedendaagse leven kenmerken. Hij wil als sociaaldemocraat aantonen dat het hoog tijd is dat de overheid (opnieuw) een sterkere rol speelt in ons leven, en dat dit kan zonder dat onze vrijheden worden aangetast. Links moet de rol van die overheid opnieuw definiëren, want anders doen anderen het (p. 21). Niet alleen in de Verenigde Staten is dit pleidooi voor een voldoende sterke overheid vandaag een tegendraadse boodschap, zelfs niet na de financiële crisis.

Judt ziet in onze samenleving een groeiende privé-rijkdom én tegelijk een groeiend openbaar verval, een collectief onvermogen om armoede en ongelijkheid te bestrijden. Ons onvermogen betreft ook het discours. Hoe kunnen we opnieuw minder ‘economistisch’ denken? Daarvoor blikt Judt terug op ‘de wereld die we kwijt zijn’, met degelijk gereguleerde markten, met de mogelijkheid tot mobilisatie van een heel land voor een collectief project (zoals de New Deal), met een samenleving die progressieve inkomstenbelasting zag als een probaat middel om overtollig bezit van de gepriviligeerde bovenlaag af te nemen en het ter beschikking te stellen van diegenen die dat het hardst nodig hadden. Niet alleen zo’n gemeenschappelijk doel, maar ook het vertrouwen ervoor lijkt vandaag verdwenen. De welvaartsstaten van de tweede helft van de 20ste eeuw boden dat vertrouwen wel. Niet alleen de economische crisis en de individualisering, maar ook de migratie hebben dat vertrouwen doen terugvallen, als de etnische homogeniteit in de Europese samenlevingen geleidelijk afnam.

Als historicus schetst Judt met enkele grote lijnen een stuk van de geschiedenis van Amerika en van de Europese welvaartstaten na de tweede wereldoorlog. Tegenover die veranderingen plaatst hij de ‘ondraaglijke lichtheid van de politiek’ en ‘de ironische nalatenschap van de jaren zestig’, waarna individualisme bijdroeg aan het verbrokkelen van het collectieve kader en de afname van een ‘gedeeld gevoel voor richting’. Links kreeg een tamelijk egoïstisch karakter, aldus Judt. Er kwam een nieuwe, uitgesproken onnatuurlijke consensus, waarin het primaat van het privébelang centraal stond (p. 97-98).

De keynesiaanse consensus maakte plaats voor de opkomst van het (neo-)liberalisme, met een aanbidding van de private sector en bijhorende privatiseringscultus. Algemene verantwoordelijkheden raakten verplaatst naar de particuliere sector, zonder dat de maatschappij als geheel daar enig voordeel van heeft. Het resultaat is volgens Judt ‘de ergste soort gemengde economie: individueel ondernemerschap oneindig gesteund met overheidsgeld’ (p. 117). Het gevolg van de desintegratie van de publieke sector is dat het ons meer moeite kost dan voorheen om te begrijpen wat we met elkaar gemeen hebben. En wat vele van onze politici betreft: ‘als begunstigden van de verzorgingsstaten waarvan zij de instituties ter discussie stellen zijn het kinderen van Thatcher: politici die leidinggeven aan de ondermijning van de ambities van hun voorgangers’ (p. 139).

Judt is daarbij scherp voor links en de sociaaldemocratie, omdat zo ‘een historisch onderbouwd verhaal wegvalt, en dan blijft er slechts politiek over: de politiek van de belangen, de politiek van de afgunst en de politiek van herverkiezing’ (p. 145). ‘Het probleem is vandaag de dag niet meer het beleid dat de sociaaldemocratie voorstaat, maar hun uitgeputte taal’ (p. 146). ‘Tegen het einde van de 20ste eeuw had de sociaal-democratie in Europa veel van zijn lang gekoesterde doelstellingen verwezenlijkt, maar de achterliggende principes waren vergeten dan wel losgelaten’ (p. 149). ‘De dilemma’s en tekortkomingen van de verzorgingsstaat zijn dan ook niet alleen het gevolg van een gebrek aan economische samenhang, maar worden ook in aanzienlijke mate veroorzaakt door politieke lafheid’ (p. 152).

‘Wat moet er gebeuren?’, vraagt Judt zich in het laatste deel dan ook af. Helaas volgt na die scherpe analyse het minst sterke deel van het boek. Judt pleit voor ‘tegengeluiden’, van politici en intellectuelen, maar geen van de bestaande politici lijkt die te bieden. Obama krijgt daarbij al evenmin het vertrouwen. Judt pleit voor een hervorming van het openbare debat, inclusief een herdefinitie van rijkdom (p. 171). We kunnen volgens hem niet anders – in deze tijden van opnieuw groeiende armoede – dan het sociale vraagstuk heropenen en een nieuw moreel kader te ontwikkelen. Bij gebrek daar aan is links er tot nu toe ook niet in geslaagd om een effectief antwoord te geven op de financiële crisis van 2008 (die doorwerkt tot vandaag).

Judt bepleit het belang van een ‘moreel kompas’, waarbij we termen als ‘gematigdheid’ opnieuw moeten verdedigen (p. 182). En als we keuzes moeten maken, dan ‘moet van alle wedijverende en slechts gedeeltelijk met elkaar in overeenstemming te brengen doelen die we nastreven, het terugdringen van ongelijkheid de eerste zijn’ (p. 184). Dat is voor hem dan ook de basistaak van de sociaal-democratie. Deze ‘vertegenwoordigt geen ideale toekomst, zij vertegenwoordigt niet eens een ideaal verleden. Maar onder de mogelijkheden waar wij vandaag uit kunnen kiezen, is er niets beters voorhanden’ (p. 223), besluit Judt. Op dit punt in het boek lijkt niet zozeer het land, maar de auteur en de sociaal-democratie moe…

Toch blijft ‘Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid’ een sterk essay, dankzij de gebalde analyse van een halve eeuw verzorgingsstaat, en de teloorgang van de idealen daarvan. Judt pleit tegendraads voor minder ongelijkheid, meer collectieve idealen en een sterkere overheid in het algemeen belang. Hij gaat in zijn analyse en kritiek terug naar de fundamenten van de welvaartsstaat en van de sociaaldemocratie. De sterke focus van zijn analyse legt tegelijk ook een belangrijke zwakheid bloot: de auteur kijkt iets te veel terug en raakt de nieuwe uitdagingen van de 21ste eeuw amper aan: de impact van migratie op de Europese welvaartsstaten en op solidariteit wordt slechts zeer summier betrokken. Klimaatopwarming als uitdaging (ook inzake ongelijkheid) komt amper aan bod. Vanuit zijn Angelsaxische achtergrond als sociaal-democraat mist Judt hier twee cruciale thema’s van de ecologische agenda voor de 21ste eeuw. Voor al wie zich door Judt’s pleidooi voor een sterker sociaal en maatschappelijk discours en een sterke overheid laat inspireren – en dat zijn er hopelijk velen – blijft er dan ook heel wat werk aan de winkel om ook deze ontwikkelingen in een eigentijds verhaal prioriteit te geven, daarbij even vrij denkend als Tony Judt deed.

(Tony Judt, 2010. Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid. Amsterdam, Uitgeverij Contact, 239 p.)