Een stedelijke bevolkingsexplosie op komst

Nieuwe commentaar toevoegen

Antwerpen mag de volgende twintig jaar een bevolkingstoename verwachten van 15%, of ruim 70.000 extra inwoners tegen 2028. Dat is de omvang van een stad als Hasselt. Steden zitten in de 21ste eeuw opnieuw in een ontzettend sterke groeidynamiek. Na een halve eeuw stadsvlucht en bevolkingsafname kende Antwerpen al een aangroei met bijna 40.000 inwoners sinds 2000. Maar de uitdaging voor het volgende decennium is gigantisch. Dat bleek deze week op een boeiende studiedag met de voorstelling van de vijfjaarlijkse bevolkingsprojectie van de Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR).

Heel Vlaanderen kent opnieuw een bevolkingstoename. In 2028 zullen er in het Vlaamse gewest ruim 460.000 meer wonen dan in 2008, een stijging met 7%. Het grootste deel van de bevolkingstoename wordt op korte termijn verwacht. In 2018 zouden er al 6,5 miljoen Vlamingen zijn (+6%). In de steden gaat de toename samen met een sterke verkleuring van de bevolking. Er worden niet alleen meer kinderen geboren in de steden. Ook immigratie is in belangrijke mate een stedelijk fenomeen. Daarbij zijn de prognoses voor de steden naar alle waarschijnlijkheid nog een onderschatting. De lopende regularisatie zit immers nog niet in de prognoses, wat zeker voor Antwerpen een belangrijke impact zal hebben.

De vraag is dan ook hoe we steden als Antwerpen hun rol als emancipatiemachine kunnen laten vervullen. Voldoende betaalbare woningen op de privemarkt én in de sociale huisvesting zijn een basisvoorwaarde. Voldoende scholen ook, om de nieuwe babyboom op te vangen. Tegen 2018 zal Antwerpen 32% meer baby’s en peuters tellen, waar de wachtlijsten in de crèches nu al gigantisch zijn. Tegen 2020 mag Antwerpen ook 47% méér vijfjarigen tellen: er zal dus meer dan één lagere school moeten bijkomen de volgende jaren.

Hoe organiseren we ons voor deze stedelijke bevolkingsexplosie? Waar zullen we méér in moeten investeren dan vandaag: niet alleen om de vergrijzing op te vangen, maar voor de vergroening, met steeds meer kinderen in de stad. Hoe laten we de stad voor alle huidige en toekomstige bewoners werken als een emancipatiemachine?

De bevolkingstoename de voorbije tien jaar ging samen met een groeiende sociale polarisatie. Willen we dat vermijden, dan zullen we moeten investeren in een duurzame stad, met sociale cohesie en voldoende infrastructuur. Dat zou de inzet moeten worden van de gemeenteraadsverkiezingen van 2012, met de keuzes voor de toekomst van de kleine, maar steeds meer kosmopolitische stad die Antwerpen is. Want de demografische trendbreuk vereist ook een bijsturing én versterking van het stedelijk sociaal beleid.

(alle resultaten van de bevolkingsprognoses staan op de website van de Studiedienst van de Vlaamse regering )

Waarom meer gelijkheid beter is

Nieuwe commentaar toevoegen

Waarom doen meer gelijke samenlevingen het bijna steeds beter? Dat was de centrale vraag vanmiddag op een boeiende lezing van prof. Richard Wilkinson op het European Trade Unionj Institute. Samen met Kate Pickett schreef Wilkinson ‘The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better’, één van de relevantste boeken in jaren.

De basisstelling van het boek is dat meer gelijke samenlevingen scoren aanzienlijk beter op gezondheids- en welzijnsindicatoren. Dat inzicht is op zich niet helemaal nieuw. Wel vernieuwend is de combinatie van uitgebreide empirische gegevens die dit aantonen met een toegankelijke analyse voor een breder publiek.

Binnen ieder land zijn rijke mensen gemiddeld gelukkiger en gezonder dan armere, maar dat is niet noodzakelijk zo tussen landen: in rijke landen zijn mensen niet per definitie gelukkiger dan in iets minder rijke landen. Of nog anders: binnen de groep welvarende landen zijn het niet de mensen in de rijkste landen die het gelukkigst zijn. Dan spelen andere factoren. We zitten dicht bij het einde van wat verdere economische groei ons nog kan opleveren. Ook de effecten van grotere materiële rijkdom op onze gezondheid worden marginaal. Ondertussen weegt die materiële overvloed wel steeds zwaarder op onze aarde en overschrijden we de ecologische grenzen van onze planeet.

De auteurs vergelijken de 23 rijkste landen en 50 Amerikaanse staten. Bijna steeds blijkt er een sterke relatie tussen ongelijkheid en welzijns- en gezondheid. Hoe hoger de ongelijkheid, hoe meer gezondheids- en welzijnsproblemen bij inwoners. Omgekeerd gaat een kleinere ongelijkheid samen met minder welzijnsproblemen. Dat heeft veel te maken met het samenspel tussen de maatschappelijke structuren – lees ongelijkheid – en individuele psychologische mechanismen.

In landen waar de ongelijkheid groter is, is het vertrouwen van mensen in elkaar kleiner, is de geestelijke gezondheid van mensen lager, ligt druggebruik hoger. De levensverwachting is lager in landen waar de ongelijkheid groter is, de kindersterfte is er hoger. Overgewicht en obesitas komen meer voor in landen waar de ongelijkheid groter is, zowel bij volwassenen als bij kinderen. De schoolresultaten van kinderen zijn minder goed in landen waar de ongelijkheid groter is, de schooluitval is er groter. Er zijn meer tienerzwangerschappen in landen waar de ongelijkheid groter is. Er zijn ook meer moorden en er is meer geweld, en er zitten meer mensen in gevangenissen. Ten slotte blijken de kansen op sociale mobiliteit kleiner in landen waar de ongelijkheid groter is. Waar de ongelijkheid kleiner is, zien we telkens een positiever beeld. Landen met een grote ongelijkheid zijn dan ook dysfunctioneel.

Belangrijk daarbij is dat de gevolgen van ongelijkheid niet enkel betrekking hebben op de armsten in ieder van die landen, maar even goed een weerslag hebben op de meerderheid van de bevolking. Bij grotere gelijkheid gaan dus niet alleen de armsten er op vooruit, maar verbetert de levenssituatie van de meeste mensen.

Wilkinson en Pickett onderscheiden twee uiteenlopende wegen naar meer gelijkheid: aan de ene kant belastingen en uitkeringen om tot herverdeling te komen, en aan de andere kant de inkomens- en beloningsverschillen op de markt beperken. De ongelijkheid weerspiegelt immers in belangrijke mate de concentratie van macht in onze economische instituties.

De nadelen van grotere ongelijkheid zijn zo overduidelijk, de voordelen van grotere gelijkheid voor de gezondheid en het welzijn van de meerderheid van de bevolking al evenzeer. Tegelijk zien we de politieke invloed van het neoliberalisme op grotere ongelijkheid. In dat geval mag ook de politieke verantwoordelijkheid sterker uit de verf komen, om de financiële markten te reguleren, inkomensbelastingen voldoende herverdelend te maken, ongezonde bonussystemen aan banden te leggen, vermogensinkomsten te laten bijdragen, …. Nu is het aan anderen om op hun materiaal verder te werken.

Ondertussen is dit boek een aanrader, waarvan de analyse best zo breed mogelijk bekend raakt. Het is een sterk onderbouwd en toegankelijk boek dat laat zien hoe meer ongelijkheid als gevolg van drie decennia neoliberalisme nefast is voor de gezondheid en het welzijn van de doorsnee inwoner. En het biedt inzicht hoe een streven naar meer gelijkheid juist het gezondheids- en welzijnspeil kan verhogen, omdat het sociale samenhang versterkt.

Wilkinson, Richard & Pickett, Kate, 2009. The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better.London, Allen Lane/Penguin books, 331 p.

Voor aanvullende artikels, presentaties en multi-media-links, zie ook www.equalitytrust.org.uk

Het land is moe (Tony Judt, 1948-2010)

Nieuwe commentaar toevoegen

‘Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid’ is een bijzonder boek. Niet alleen omdat het relevante vragen stelt, ook omwille van de auteur. Begin augustus 2010 overleed Tony Judt. De Britse historicus schreef en dicteerde het boek tijdens zijn strijd tegen zijn ongeneeslijke ziekte, waarbij geleidelijk alle spieren verlamd raakten, maar brein en bewustzijn intact bleven. In die omstandigheden blijven denken, en blijven denken aan een betere samenleving en politiek, verdient meer dan respect, bijvoorbeeld door te blijven stilstaan bij zijn werk.

De inleiding van het essay ‘Het land is moe’ is meteen scherp: ‘Er is iets fundamenteel mis met de manier waarop we vandaag leven. Dertig jaar lang hebben we de jacht op materieel eigenbelang als een deugd beschouwd; die jacht is tegenwoordig het laatste restant van ons gevoel voor een collectieve zaak (p. 13).’ Judt bekritiseert het materialisme en het egoïsme die het hedendaagse leven kenmerken. Hij wil als sociaaldemocraat aantonen dat het hoog tijd is dat de overheid (opnieuw) een sterkere rol speelt in ons leven, en dat dit kan zonder dat onze vrijheden worden aangetast. Links moet de rol van die overheid opnieuw definiëren, want anders doen anderen het (p. 21). Niet alleen in de Verenigde Staten is dit pleidooi voor een voldoende sterke overheid vandaag een tegendraadse boodschap, zelfs niet na de financiële crisis.

Judt ziet in onze samenleving een groeiende privé-rijkdom én tegelijk een groeiend openbaar verval, een collectief onvermogen om armoede en ongelijkheid te bestrijden. Ons onvermogen betreft ook het discours. Hoe kunnen we opnieuw minder ‘economistisch’ denken? Daarvoor blikt Judt terug op ‘de wereld die we kwijt zijn’, met degelijk gereguleerde markten, met de mogelijkheid tot mobilisatie van een heel land voor een collectief project (zoals de New Deal), met een samenleving die progressieve inkomstenbelasting zag als een probaat middel om overtollig bezit van de gepriviligeerde bovenlaag af te nemen en het ter beschikking te stellen van diegenen die dat het hardst nodig hadden. Niet alleen zo’n gemeenschappelijk doel, maar ook het vertrouwen ervoor lijkt vandaag verdwenen. De welvaartsstaten van de tweede helft van de 20ste eeuw boden dat vertrouwen wel. Niet alleen de economische crisis en de individualisering, maar ook de migratie hebben dat vertrouwen doen terugvallen, als de etnische homogeniteit in de Europese samenlevingen geleidelijk afnam.

Als historicus schetst Judt met enkele grote lijnen een stuk van de geschiedenis van Amerika en van de Europese welvaartstaten na de tweede wereldoorlog. Tegenover die veranderingen plaatst hij de ‘ondraaglijke lichtheid van de politiek’ en ‘de ironische nalatenschap van de jaren zestig’, waarna individualisme bijdroeg aan het verbrokkelen van het collectieve kader en de afname van een ‘gedeeld gevoel voor richting’. Links kreeg een tamelijk egoïstisch karakter, aldus Judt. Er kwam een nieuwe, uitgesproken onnatuurlijke consensus, waarin het primaat van het privébelang centraal stond (p. 97-98).

De keynesiaanse consensus maakte plaats voor de opkomst van het (neo-)liberalisme, met een aanbidding van de private sector en bijhorende privatiseringscultus. Algemene verantwoordelijkheden raakten verplaatst naar de particuliere sector, zonder dat de maatschappij als geheel daar enig voordeel van heeft. Het resultaat is volgens Judt ‘de ergste soort gemengde economie: individueel ondernemerschap oneindig gesteund met overheidsgeld’ (p. 117). Het gevolg van de desintegratie van de publieke sector is dat het ons meer moeite kost dan voorheen om te begrijpen wat we met elkaar gemeen hebben. En wat vele van onze politici betreft: ‘als begunstigden van de verzorgingsstaten waarvan zij de instituties ter discussie stellen zijn het kinderen van Thatcher: politici die leidinggeven aan de ondermijning van de ambities van hun voorgangers’ (p. 139).

Judt is daarbij scherp voor links en de sociaaldemocratie, omdat zo ‘een historisch onderbouwd verhaal wegvalt, en dan blijft er slechts politiek over: de politiek van de belangen, de politiek van de afgunst en de politiek van herverkiezing’ (p. 145). ‘Het probleem is vandaag de dag niet meer het beleid dat de sociaaldemocratie voorstaat, maar hun uitgeputte taal’ (p. 146). ‘Tegen het einde van de 20ste eeuw had de sociaal-democratie in Europa veel van zijn lang gekoesterde doelstellingen verwezenlijkt, maar de achterliggende principes waren vergeten dan wel losgelaten’ (p. 149). ‘De dilemma’s en tekortkomingen van de verzorgingsstaat zijn dan ook niet alleen het gevolg van een gebrek aan economische samenhang, maar worden ook in aanzienlijke mate veroorzaakt door politieke lafheid’ (p. 152).

‘Wat moet er gebeuren?’, vraagt Judt zich in het laatste deel dan ook af. Helaas volgt na die scherpe analyse het minst sterke deel van het boek. Judt pleit voor ‘tegengeluiden’, van politici en intellectuelen, maar geen van de bestaande politici lijkt die te bieden. Obama krijgt daarbij al evenmin het vertrouwen. Judt pleit voor een hervorming van het openbare debat, inclusief een herdefinitie van rijkdom (p. 171). We kunnen volgens hem niet anders – in deze tijden van opnieuw groeiende armoede – dan het sociale vraagstuk heropenen en een nieuw moreel kader te ontwikkelen. Bij gebrek daar aan is links er tot nu toe ook niet in geslaagd om een effectief antwoord te geven op de financiële crisis van 2008 (die doorwerkt tot vandaag).

Judt bepleit het belang van een ‘moreel kompas’, waarbij we termen als ‘gematigdheid’ opnieuw moeten verdedigen (p. 182). En als we keuzes moeten maken, dan ‘moet van alle wedijverende en slechts gedeeltelijk met elkaar in overeenstemming te brengen doelen die we nastreven, het terugdringen van ongelijkheid de eerste zijn’ (p. 184). Dat is voor hem dan ook de basistaak van de sociaal-democratie. Deze ‘vertegenwoordigt geen ideale toekomst, zij vertegenwoordigt niet eens een ideaal verleden. Maar onder de mogelijkheden waar wij vandaag uit kunnen kiezen, is er niets beters voorhanden’ (p. 223), besluit Judt. Op dit punt in het boek lijkt niet zozeer het land, maar de auteur en de sociaal-democratie moe…

Toch blijft ‘Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid’ een sterk essay, dankzij de gebalde analyse van een halve eeuw verzorgingsstaat, en de teloorgang van de idealen daarvan. Judt pleit tegendraads voor minder ongelijkheid, meer collectieve idealen en een sterkere overheid in het algemeen belang. Hij gaat in zijn analyse en kritiek terug naar de fundamenten van de welvaartsstaat en van de sociaaldemocratie. De sterke focus van zijn analyse legt tegelijk ook een belangrijke zwakheid bloot: de auteur kijkt iets te veel terug en raakt de nieuwe uitdagingen van de 21ste eeuw amper aan: de impact van migratie op de Europese welvaartsstaten en op solidariteit wordt slechts zeer summier betrokken. Klimaatopwarming als uitdaging (ook inzake ongelijkheid) komt amper aan bod. Vanuit zijn Angelsaxische achtergrond als sociaal-democraat mist Judt hier twee cruciale thema’s van de ecologische agenda voor de 21ste eeuw. Voor al wie zich door Judt’s pleidooi voor een sterker sociaal en maatschappelijk discours en een sterke overheid laat inspireren – en dat zijn er hopelijk velen – blijft er dan ook heel wat werk aan de winkel om ook deze ontwikkelingen in een eigentijds verhaal prioriteit te geven, daarbij even vrij denkend als Tony Judt deed.

(Tony Judt, 2010. Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid. Amsterdam, Uitgeverij Contact, 239 p.)

'Onzekerheid. Over leven in de risicomaatschappij' nu herdrukt

Nieuwe commentaar toevoegen

Zopas is bij Acco de tweede druk verschenen van mijn boek 'Onzekerheid. Over leven in de risicomaatschappij.' Ook twee jaar na de eerste druk blijft het boek brandend actueel. Ondanks de crisis waren we nog nooit zo rijk als vandaag. Toch staat onzekerheid paradoxaal genoeg hoog op de agenda, maatschappelijk, politiek, sociaal, economisch en in de persoonlijke levens van mensen. Van de economische crisis tot de eigen job, van de klimaatopwarming tot de eigen gezondheid, van globalisering tot de migratie in de eigen straat of buurt: onzekerheid is alomtegenwoordig in een steeds sneller veranderende maatschappij.

Die veranderende maatschappij typeer ik met de Duitse socioloog Ulrich Beck als een mondiale risicomaatschappij. Dat blijft voor mij een verhelderend en vernieuwend kader om de vele veranderingen vandaag te begrijpen en te kunnen kaderen.

De nu al drie maanden durende olieramp in de Golf van Mexico staat (voorlopig) nog niet in het boek. Al is het een zoveelste voorbeeld van de overgang naar een risicomaatschappij, waarin steeds vaker technologie wordt gehanteerd die de samenleving nog niet, of niet meer onder controle heeft. De parallellen met de financiële crisis zijn vanuit dit oogpunt groter dan op het eerste zicht blijkt.

Meer informatie over het boek vind je hier.

Het boek is (opnieuw) te vinden in de boekhandel of bestelbaar bij uitgeverij Acco.

Vulkaanstof tot nadenken

Nieuwe commentaar toevoegen

Eén vulkaan in IJsland veroorzaakt nu al meer dan een halve week een stopzetting van het vliegverkeer in de helft van het Europese luchtruim. De ontreddering van vele toeristen, zakenmensen en van de economie staat in schril contrast met de staalblauwe lucht zonder de vervuiling van straaljagers.

Een deel van onze hoogcomplexe maatschappij stokt omwille van piepkleine stofdeeltjes. Een uitbarsting van … kwetsbaarheid. Is dat eigenlijk niet leerrijk, die confrontatie met onze kwetsbaarheid? Even een kleine val na de technologische hoogmoed. Van Pompeï tot IJsland, de mens die de binnenkant van de aarde nog steeds niet kan bedwingen. En het waarschijnlijk ook nooit zal kunnen.

En als we zo kwetsbaar zijn voor eeuwenoude en gekende natuurfenomenen als vulkanen, wat wordt het dan als het klimaat écht verandert door de opwarming, inclusief stijging van het zeewater en krachtigere stormen? Misschien zijn vliegtuigen op de grond de volgende dagen nog niet eens zo slecht. Vulkaanstof tot nadenken, zeg maar…

PS. De blog werd ook opgepikt door Terzake. De reportage erover kan je hier herbekijken.