Gezinnen over grenzen

Nieuwe commentaar toevoegen

De voorbije twee weken zag ik in de buurt heel wat volgeladen auto’s vertrekken, op vakantie en op familiebezoek, in de landen van herkomst. Steeds meer mensen leven hier en ook nog een beetje ginder. Hoe veranderen gezinnen in tijden van globalisering en migratie? Hoeveel afstand verdraagt de liefde en welke heeft ze nodig? Hoe ontstaan in een globaliserende wereld nieuwe liefdes- en familievormen over grenzen en afkomst heen? En wat betekenen deze transnationale gezinnen voor onze visie op gezin, familie, samenleving?

Dat zijn de kernvragen in het nieuwe en bijzonder boeiende boek ‘Fernliebe. Lebensformen im globalen Zeitalter’ van de Duitse sociologen Ulrich Beck en Elisabeth Beck-Gernsheim. Hun vragen zijn relevant, want steeds vaker moet het sociaal werk in deze wereld van toenemende globalisering, migratie en diversiteit aan de slag met gezinsrelaties over grenzen heen.

Speelt ons gezinsbeleid voldoende in op die snelle toename van gezinnen van verschillende etnisch-culturele oorsprong in onze steden? En welke invloed heeft het migratiebeleid op deze gezinnen? Nu België de wet op de gezinshereniging heeft verstrengd om volgmigratie af te remmen, en Vlaanderen reikhalzend uitkijkt naar meer bevoegdheden voor een eigen gezinsbeleid, is het meer dan tijd om met een open blik naar de globalisering van gezinnen en relaties te kijken.

Een uitgebreide bespreking van het boek verscheen deze week in Alert, het tijdschrift voor sociaal werk en politiek, met als titel ‘Gezinnen over grenzen. Een uitdaging voor het gezinsbeleid.’ U kan het hier lezen.

Wat Antwerpen van New York kan leren…

Nieuwe commentaar toevoegen

Een vastberaden openheid, die nieuwe inwoners actief welkom wil heten. Met een offensief diversiteitsbeleid, een duidelijke keuze voor anti-discriminatie en vertegenwoordiging van alle inwoners in het stadspersoneel, de politie, het onderwijs, … Fatima Shama Mansouri, de commissaris van migrantenzaken van New York City, was gisteren te gast in Atlas en ging in gesprek met Bert Devroey. Haar job: het leven van migranten te verbeteren en hun positie te versterken. Hoe? Door te luisteren, in dialoog te gaan en dat te vertalen naar het beleid van New York.

Natuurlijk is Antwerpen de New York niet, de grootste stad van de Verenigde Staten met ongeveer 8,4 miljoen inwoners. Toch zijn er demografisch wel gelijkenissen: ook Antwerpen telt meer dan 170 nationaliteiten. Net zoals The Big Apple heeft Antwerpen een hoge bevolkingsdichtheid en grote culturele diversiteit. En dus kunnen we misschien wel iets leren.

De burgemeester wordt er bijgestaan door een Bureau voor Migrantenzaken, met Fatima Shama Mansouri als Commissaris voor Migrantenzaken. Zoals de meerderheid van de New Yorkers iemand met wortels in migratie: haar vader was een Palestijnse moslim en haar moeder een Brazilaanse. Het maakt haar een ‘Palestinian-American’, of een ‘Brazialian-American’. Meervoudige identiteiten, maar vooral: zij is, net als iedereen voor het beleid, New Yorker. ’t stad is van iedereen, maar toch lijkt dat op heel wat punten verder te gaan. New York is een meertalige stad, met een actief diversiteits- en anti-discriminatiebeleid. Een stedelijke commissie voor de mensenrechten ziet daar op toe. Ze getuigde van een beleidshouding van openheid, die mensen waardeert als ‘new Americans’, zowel bij het beleid, de administratie als bij de inwoners. Het verschil met Antwerpen was soms pijnlijk, bijvoorbeeld als de diversiteit bij de politie aan bod kwam.

Misschien zit daar nog het grootste verschil: diversiteit benaderen als een kans, en niet als een probleem. Nieuwkomers onthalen als mensen met potentie, en niet proberen af te schrikken uit angst voor aanzuigeffecten. Ongetwijfeld worstelt ook New York nog met heel wat problemen, al kwamen die gisteren amper aan bod. Maar als Fatima Shama gisteren op één punt overtuigend was, dan wel met haar vastberaden openheid en redelijkheid, waarmee ze consequent een offensief diversiteitsbeleid benaderde, met een voortdurende focus op de kansen voor mensen en voor de stad. Eigenlijk hadden alle politici gisteren haar verhaal moeten kunnen horen.

Open stad

Nieuwe commentaar toevoegen

“Bijna iedereen, zoals bijna altijd bij dit soort concerten, was blank. Dat is iets wat me altijd weer opvalt; ik zie het elke keer en probeer er altijd aan voorbij te gaan. (…) Ik ben er aan gewend, maar ik verbaas me er altijd weer over hoe gemakkelijk het is de pluriformiteit van de stad achter me te laten en een geheel en al blank domein te betreden, met een homogeniteit die de aanwezige blanken in het geheel niet stoort, voor zover ik kan beoordelen. Het enige wat sommigen van hen vreemd leken te vinden, was om mij daar te zien, jong en zwart, op mijn stoel of in de foyer.” (Teju Cole, 2012, p. 305)

Een mooi fragment uit "Open stad" van Teju Cole. Een boek over onze gelaagde steden, over samenleven in gescheiden werelden, over transnationaliteit, over het worstelen met diversiteit, maar dan beschreven vanuit het oogpunt van Julius, een jonge psychiater in New York van Nigeriaanse afkomst. Hoe ziet hij New York, en Brussel?

Of zoals Johan De Haes op cobra.be over het boek schrijft: "De “open stad” verwijst metaforisch naar de verwarrende en grenzeloos-globale wereld van vandaag, wordt even in verband gebracht met de door de bevrijders gespaarde Belgische hoofdstad, maar is in de eerste plaats het multi-culturele New-York City. Stevig voorzien van culturele en professionele reddingsboeien kan Julius daar in al zijn eenzame verwarring toch niet in verzuipen of verdwalen. “Open stad” is een intrigerende roman over in trefzeker ritmische zinnen geformuleerde onzekerheden en een eenzaamheid die zowel ondergaan als gecultiveerd wordt. Een verrassend rijk en rijp romandebuut, waarbij je voortdurend Julius en Teju Cole met elkaar dreigt te verwarren. En dat zegt ongetwijfeld een en ander over de kwaliteit van dit proza."

Voorbij voor wat hoort wat

Nieuwe commentaar toevoegen

Met zijn boek ‘Voor wat hoort wat’ leverde de Antwerpse burgemeester Patrick Janssens één van de sterkste one-liners voor het activeringsbeleid in de stad en in Vlaanderen. Hij wil meer wederkerigheid en minder vrijblijvendheid in de welvaartsstaat. Maar is dat een goed uitgangspunt voor een sterker sociaal beleid in de stad? En voor wie hoort wat? Dat zijn de centrale vragen voor een uitgebreide bespreking van het boek in nieuwe nummer van Oikos met als titel ‘Voor wie hoort wat? Over wederkerigheid, sociaal beleid en diversiteit’.

‘Voor wat hoort wat’ is een boek over de toekomst van ons sociaal beleid, niet alleen in tijden van economische crisis en vergrijzing, maar ook en vooral in tijden van globalisering en migratie. De vraag naar meer wederkerigheid komt niet toevallig uit Antwerpen, na Brussel de stad met de grootste etnisch-culturele diversiteit in ons land. Vooral grotere steden herbergen steeds meer nieuwe inwoners met wortels in migratie. Die instroom van nieuwkomers en hun gebrekkige doorstroming op de sociale ladder, zetten de nationale systemen van sociale zekerheid in alle Europese landen onder druk. Hoe gaan we daar mee om?

Ik vertrek daarbij van eenzelfde stedelijke realiteit, maar leg andere klemtonen: hoe kunnen we grondrechten voor iedereen waarmaken in een wereld met meer migratie? Wat zijn de grenzen aan eigen verantwoordelijkheid en wederkerigheid? En hoe versterk je mensen en steden in de 21ste eeuw? Vertrekkend van die structurele vragen blijft wederkerigheid een kernbegrip in de sociale zekerheid, maar het kan niet het enige principe zijn en evenmin alleen voor de zwaksten gelden.

Zeker voor het bijstandsbeleid is het uitgesloten dat men de bijdragelogica van de sociale zekerheid zondermeer kan overnemen. Waar wederkerigheid speelt, moet het gaan om een invulling mét mededogen, gericht op empowerment van de betrokkenen. En vooral: wederkerigheid vragen kan maar wanneer men tegelijk ook werk maakt van het verkleinen van de groeiende ongelijkheid, wanneer men herverdeling opnieuw op de agenda wil plaatsen, wanneer men het armoedebeleid eindelijk wil versterken, en van steden terug echte emancipatiemachines wil maken. Want dat is wat we, ondermeer in Antwerpen, nodig hebben.

Het volledige artikel ‘Voor wie hoort wat? Over wederkerigheid, sociaal beleid en diversiteit’ vind je hier.

Uplace, of we consumeren ons kapot

Nieuwe commentaar toevoegen

"Ik consumeer, dus ik ben. Consumptie is het kenmerk van het westers leven in de 21ste eeuw. We zijn sinds enkele decennia allemaal consument, stelt de Vlaamse antropoloog Rik Pinxten. Consumptie is één van de meest alledaagse dingen in ons leven. We kopen een krant ’s morgens, een broodje ’s middags, een kant-en-klaarmaaltijd ’s avonds. We bestellen een koffie of een glas wijn op een terras. We kopen nog een cd, nog een dvd, nog een boek, nog speelgoed voor de kinderen. We laten ons verleiden tot een ijsje of tot een nieuwe gsm. Met de nieuwe mode of met de koopjes starten velen hun jacht naar nieuwe kleding. De consument is de jager-verzamelaar van de 21ste eeuw. Geld moet rollen, betaalkaarten moeten biepen. Hoe abstracter ons geld, hoe gemakkelijker we het uitgeven.

Onze ongekende consumptie weerspiegelt een ongekende rijkdom. Het inkomen van de doorsnee Vlaming of Nederlander stijgt jaar na jaar, onafgebroken, ook in zogeheten crisisperiodes. Op enkele decennia verdubbelden we onze koopkracht. We beseffen het amper, zo snel went luxe. Vele producten dalen in prijs, dankzij stijgende omzet, technologische vooruitgang of omwille van de uitbuiting in andere delen van de wereld. Nog nooit kochten we zoveel, bezaten we zoveel en gooiden we ook zoveel weer weg. Gelukkig verslijten vele dingen snel, zodat we toch weer nieuwe kunnen kopen. En als ze niet snel genoeg stukgaan, dan verouderen ze, zodat ze aan vervanging toe zijn.

Zijn we nu gelukkiger te midden van de ongekende overvloed? Dat is de vraag. We kunnen niet langer voorbij aan de schaduwkanten van onze consumptie. Onze westerse levenstijl is niet duurzaam. De aarde warmt op door onze energieverslaving en -verspilling. De afvalbergen groeien uit tot cols van eerste categorie, bij ons of in het Zuiden. Recyclage is al een volwaardige industrietak, maar toch weegt de overconsumptie van alsmaar meer grondstoffen en energie loodzwaar op onze planeet. Onze consumptie botst op ecologische grenzen. Dat weten we, maar we geven het niet graag toe, want we willen nog zoveel kopen…

Er is echter meer aan de hand. Het geluk van de doorsnee westerling stijgt niet meer met de groei van de consumptie. We worden niet langer gelukkiger door nog meer te kopen. Ondanks de ongekende overvloed knaagt de ontevredenheid over wat we hebben. Velen werken zo hard om hun kredietkaarten en leningen te kunnen betalen, dat ze amper tijd hebben om van alle spullen te genieten. Vanwaar komt het paradoxale onbehagen van nooit-genoeg in een wereld van overvloed? We zitten gevangen in een cyclus van werken en consumeren, zoals de Amerikaanse sociologe Juliet Schor het noemt. Zoals een hamster in een tredmolen hollen we door. We werken alsmaar harder om meer te kunnen consumeren. Te midden van de overvloed zet de rat-race onze levenskwaliteit, ons welzijn en onze tevredenheid onder druk. Ons geluk groeit niet meer evenredig met de toenemende rijkdom, besluit ook de Britse econoom Richard Layard. Onze consumptiedrang botst niet alleen op ecologische grenzen, we botsen ook op onze eigen grenzen, al willen we ook dat niet graag toegeven."

Vijf jaar geleden schreef ik bovenstaande inleiding voor mijn boek 'We consumeren ons kapot'. Met de milieuvergunning voor Uplace zetten we vandaag opnieuw een stapje verder in de consumptiewaanzin, ten koste van mens en milieu, en van onze binnensteden. 'We consumeren ons kapot' blijft helaas brandend actueel.