De voedselparadox

Nieuwe commentaar toevoegen

Zopas verscheen ‘De voedselparadox’ bij de Nederlandse Stichting Werelddelen. In dit boek nemen 14 filosofen, economen, wetenschappers en veldwerkers de lezer mee naar een wereld waarin zowel sprake is van grootschalige honger als van (meer dan) genoeg voedsel voor zelfs een groeiende wereldbevolking.

‘De voedselparadox’ legt de belangrijkste gebreken bloot van de hedendaagse marktgeoriënteerde ‘ieder voor zich’-samenleving, die ‘de economie’ en ‘de markt’ centraal stelt. Een wereld, waarin uitsluiting en afwenteling deel uitmaken van het heersende economische en politieke systeem, ten koste van de allerarmsten, toekomstige generaties en de leefbaarheid op de planeet. ‘De voedselparadox’ schetst ook contouren van een andere wereld, waarin ménsen ertoe doen en de dominantie van markten verleden tijd is.

Naast interviews met onder andere Hans Achterhuis, Susan George, Francine Mestrum en Peter Tom Jones bevat het boek ook de neerslag van een uitgebreid interview over mijn boek ‘Onzekerheid. Over leven in de risicomaatschappij’. Alle verdere info vind je op de webstek van Werelddelen.

Sociale uitdagingen in een meertalige metropool

Nieuwe commentaar toevoegen

Feitelijke vaststellingen liggen deze dagen politiek gevoelig. Antwerpen is de facto een meertalige stad. Het is na Brussel de méést meertalige stad in Vlaanderen. We zullen die meertaligheid als uitgangspunt voor een sociaal beleid moeten nemen. Dat was één van de stellingen in mijn afscheidsspeech zaterdag, waarmee ik een periode van 24 jaar engagement vanuit met een politiek mandaat in Antwerpen afrondde. Hier alvast een stukje uit mijn tekst ‘Sociale uitdagingen in een meertalige metropool. Een terugblik en vooruitblik’:

“Met haar bijna 170 nationaliteiten zal Antwerpen ook in de toekomst een meertalige stad zijn. Meer nog, deze ontembare stad – zoals het Martha-Tentatief ze benoemd en schitterend verwerkt in haar theatervoorstellingen – zal alleen maar meertaliger worden naarmate de superdiversiteit verder ontwikkelt. De omvang van etnische gemeenschappen maakt ook dat zij een belangrijk deel van hun leven in hun moedertaal voort kunnen in deze stad. Ook moderne communicatiemiddelen als Skype, internet en satelliettelevisie maken dat mensen hier kunnen leven en contact houden met landen van herkomst.

Op die feitelijke ontwikkeling reageren vele politici – zeker maar niet alleen bij N-VA – ontzettend verkrampt. We creëren een fictie van mogelijke ééntaligheid, omdat we met de meertaligheid niet om kunnen gaan.

Laat het duidelijk zijn: in een superdiverse, meertalige stad moeten we meer dan ooit inzetten op het aanleren van Nederlands. De vraag is echter hoe en vanuit welke focus. Taalkennis moet een hefboom zijn tot emancipatie. Het mag nooit een excuus worden voor uitsluiting.

Spaar ons dus van verdere voorwaarden van taalkennis om toegang te krijgen tot de te schaarse sociale woningen, maar investeer in meer en meer aangepaste vormen om Nederlands te leren, zonder wachtlijsten.

De taalstrijd was in de 20ste eeuw noodzakelijk was. Toen moest Nederlands vanuit een ondergeschikte positie afgedwongen worden tegenover het Frans, de taal van de machthebbers en de bourgeoisie. Toen was de Vlaamse strijd een sociale strijd. Maar hebben we dan niet uit die sociale strijd geleerd? De taalstrijd die sommigen vandaag voeren tegen migranten die (nog) onvoldoende Nederlads kennen, gaat steeds vaker ten koste van de betrokkenen. In een meertalige en superdiverse stad als Antwerpen gaan we dat Nederlands toch niet als een uitsluitende taal gaan hanteren, ten koste van sociaal zwakkeren die er (nog) onvoldoende kennis van hebben?

Laat ons vertrekken van de realiteit: Nederlands zal voor de meesten – maar zelfs niet voor iedereen - in deze stad van superdiversiteit de ‘lingua franca’ zijn, maar met en naast vele andere talen, binnen een veelheid aan gemeenschappen. Laat ons dan ook stoppen met meertaligheid al een probleem te zien, integendeel, laat ons ze koesteren en stimuleren als een troef, in plaats van een voorbijgestreefde eentaligheid af te dwingen door te beknotten op sociale rechten.

Kan al wie Nederlands belangrijk vindt – of toch zegt dat men taalkennis belangrijk vindt – misschien een tandje bijsteken, budgetten aanpassen, methodieken kritisch durven bevragen en taboes achterwege laten? Ik geef enkele voorbeelden:

• Afhankelijk van de taal en het taalniveau blijven wachtlijsten vaak nog veel te lang in deze stad. Als de N-VA taalkennis dan zo belangrijk vindt, mag er dan boter bij de vis: er zijn meer middelen nodig om meer en meer intense opleidingen mogelijk te maken.
• Meer middelen laat ook toe meer te diversifiëren naar niveau van de deelnemers. Maar ook, om voor een aantal groepen intensere cursussen te voorzien dan twee of drie halve dagen per week.
• Taalopleidingen zijn vaak nog te gescheiden van de leefwereld. Er zijn goede ervaringen met moeder en vaderprojecten in een beperkt aantal scholen, waarbij mama’s (of papa’s) hun kinderen brengen en vervolgens ook zelf aan hun taal werken. Als onderzoek leert dat dit werkt, breidt dit dan uit.
• Kijk ook naar de methodieken, als beleid en als sector. Voor vele ongeschoolde volwassenen is de huidige aanpak vaak te schools. Hoe hard lesgevers zich ook inzetten, de setting is vaak te klassikaal. Nederlands leer je ook al doende, bijvoorbeeld op de werkvloer. Toch parkeren we mensen eerst jaren in steunafhankelijkheid (inburgeren, wachtlijsten, enkele jaren les), voor ze voor het OCMW in aanmerking komen voor een sociale tewerkstelling (art. 60). Om redenen van communicatie eist het OCMW een taalkennis van 2.1. Vele van deze mensen willen sneller aan de slag, maar leren traag. Laat ons dan toch starten met anderstalige werkploegen (bv. een strijkatelier met Berbervrouwen, een renovatieproject met Iraqezen), waarbij Nederlands al doende op de werkvloer wordt aangeleerd. Mensen kunnen sneller aan de slag, leren mogelijk sneller en blijven minder lang afhankelijk van steun. Toch de moeite waard om te onderzoeken en experimenten op te zetten?
• En laat ons ook in het onderwijs het debat verruimen. De uitstroom van jongeren zonder diploma is onaanvaardbaar hoog en groeit nog. Taal is daarbij vaak één van de barrières. Ervaring in Brussel laat zien dat meertalige scholen – met een beperkt deel van de vakken in eigen taal – geen rem hoeven te zijn op taalontwikkeling, maar juist een hefboom voor kinderen. Wie de verdere groei ziet van kinderen die opgroeien in gezinnen waar Nederlands geen thuistaal is, kan niet anders dan dit soort opties onderzoeken. Laat de resultaten van zulke scholen wetenschappelijk evalueren, in plaats van te vertrekken van politieke taboes.
• Tolkendiensten betalend laten worden getuigt in een stad als Antwerpen dan ook van een ideologische blindheid voor de realiteit. Natuurlijk zijn tolkendiensten er niet om mensen levenslang afhankelijk te houden van vertalers, maar voor vele mensen vervullen ze de eerste jaren (en voor sommige analfabeten en ‘uitgeleerden’ veel langer) een cruciale brugfunctie. Tolkendiensten betalend maken gaat ten koste van de betrokkenen, maar belast scholen, CLB’s, welzijnsorganisaties en stadsdiensten ook nodeloos bij communicatie met nog-niet-Nederlandstaligen.

Laat ons van een groeiende stad niet een meer ongelijke stad laten worden, met A en B-burgers. Laat ons de meertaligheid erkennen, om ze als kracht te gebruiken en van daaruit meer in te zetten op kennis van Nederlands, maar dan als hefboom om mensen sterker te maken, niet als excuus voor uitsluiting.”

Je kan de volledige tekst ‘Sociale uitdagingen in een meertalige metropool. Een terugblik en vooruitblik’ hier downloaden.

Bijlagen
2013 03 02 Sociale uitdagingen meertalige metropool DEF (2).pdf2013 03 02 Sociale uitdagingen meertalige metropool DEF (2).pdf

Terugkijkend

Nieuwe commentaar toevoegen

Einde 2012 stopte ik niet alleen als OCMW-raadslid, het was ook de afronding van ruim 24 jaar dat ik in Antwerpen een politiek mandaat uitoefende: kort als districtsraadslid, bijna drie legislaturen als gemeenteraadslid, waarvan twee jaar als schepen en ten slotte zes jaar OCMW-raadslid de voorbije bestuursperiode. Zaterdag volgt een feestelijke afscheidsdrink, en dus kijkt een mens even terug ter voorbereiding van een speech. Hoe vat je een kwarteeuw politiek engagement samen? Vijftig tinten grijs zijn het zeker niet geworden… wel tien tinten groen: een terugblik met 10 stopplaatsen...

Eerste halte: 1985. Als student in Politieke en Sociale Wetenschappen werk ik op de redactie van Het Volk als studentenjob. Na een persconferentie van Benegora vraag ik aan Ludo Dierickx hoe ik me lid kan maken van Agalev, geïnspireerd door het radicale economische congres in Mechelen dat jaar. Een goed half jaar later word ik als 20-jarige gekozen tot politiek en partijsecretaris van het veel-te-kleine Agalev-veel-te-groot-Antwerpen. Ondermeer Leo Cox en Luc Lamote leren me de knepen van politiek en van sociale actie. Samen met Harry Schram bereiden we de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 voor. Als eerste opvolger voor de gemeenteraad start ik in 1989 in de Antwerpse districtsraad.

Tweede halte: 1989. Het was hoog tijd om meer druk te zetten op het fiets- en mobiliteitsbeleid in Antwerpen. Koning auto regeerde. Ik richt ‘Fietscampagne’ op en organiseer in mei 1990 een massale betoging, met ruim 2000 fietsers. Ondermeer Stef Lauwers maakte dit mee waar. Resultaat: de fietsersbeweging stond terug op de kaart. Hieruit groeiden later fietsbetogingen met meer dan 10.000 deelnemers en ontstond ook de huidige Fietsersbond. Overigens, als je vandaag ziet welke richting dit stadsbestuur uitwil met haar mobiliteitsbeleid, is er anno 2013 misschien wel eens terug nood aan een massale fietsbetoging en beweging…

Derde halte: oktober 1990. Mijn eerste gemeenteraad in opvolging van Marjet Van Puymbroeck, en een onmiddellijke confrontatie met toenmalig burgemeester Bob Cools over de autovrije Meir, zonder een autovrije binnenstad. Ondertussen zijn er iets meer autovrije straten, is zone-30 gewoon geworden, hebben trams meestal vrije beddingen en zijn er veel meer fietspaden, al is Antwerpen nog lang geen duurzame stad. Vele debatten zouden volgen, bijvoorbeeld over de sloop van Den Entrepot waar we met een fax van Richard Meier konden aantonen hoe zijn naam en ontwerp werden misbruikt.

Vierde halte: oktober 1994. Na de gemeenteraadsverkiezingen breken groenen en liberalen na vele decennia de meerderheid van socialisten en christen-democraten open. Moeizame onderhandelingen onder leiding van Eddy Boutmans leiden tot een vernieuwend bestuursakkoord. Mieke Vogels en Patsy Sörensen worden schepenen. Trendbreuken komen tot stand: van gescheiden afvalophaling tot het einde van politieke benoemingen en een meer eigentijds personeelsbeleid, van fietspaden tot nieuwe parken (denk aan de uitbreiding van Middelheim en aan park spoor noord), ….

Vijfde halte: juni 1999. Ik volg Patsy Sörensen op als schepen voor bevolking, jeugd en groen, maar ook van ontwikkelingssamenwerking en emancipatie. Samen met Patsy bouwden we die legislatuur het jeugdbeleid uit: van een kleine onderbemande jeugddienst naar een volwaardige jeugdbeleid een stad waardig. Die uitbouw werkt tot vandaag door, denk maar aan Antwerpen als Europese jongerenhoofdstad in 2012.

Zesde halte: einde 1999, begin 2000, of de collectieve regularisatie van mensen zonder papieren. Perspectief geven aan meer dan 4.700 mensen zonder papieren die langdurig in de stad verbleven, daarvoor hebben toen tientallen mensen van stad en OCMW zich ingezet, samen met professionals en vrijwilligers uit vele welzijnsorganisaties. Beelden die bijblijven: de honderden mensen zonder papieren voor de deur, zenuwachtig, angstig, hoopvol. Een zekere Bert Gabriëls die als jonge jurist werkte bij de cel asielzoekers van de stad in die periode en dubbele shiften draaide om alles rond te krijgen. Of Jos Goossens die als een volleerd verkeersagent de laatste dagen aanvragers dirigeerde naar wel 60 geïmproviseerde loketten en bureaus in de Lange Nieuwstraat. Iedereen zette zich in, omdat het beter was voor de mensen, maar ook voor de stad. Een ongeziene operatie, waarvan de impact op het aantal officiële inwoners van de stad tot vandaag onderschat is, omdat er nooit onderzoek gebeurde naar de volgmigratie. Hier als schepen de gangmaker voor mogen en kunnen zijn voor Antwerpen blijft iets waar ik fier op ben.

Zevende halte: 2000, of de kentering van de bevolkingscijfers. Na tientallen jaren stadsvlucht en bevolkingsdaling stijgt de Antwerpse bevolking opnieuw vanaf 2000, van 442.000 inwoners toen tot 512.000 vandaag. De witte stadsvlucht vermindert (maar verdwijnt nooit helemaal). Er komen meer geboortes. Migratie en volgmigratie zorgen voor vele nieuwe Antwerpenaren. En de regularisaties van 2000 en 2009 maken van verborgen stadsbewoners zonder rechten echte burgers. Iedereen onderschatte deze bevolkingstoename, in Antwerpen en in andere steden, zoals bijna iedereen ook de superdiversiteit te laat inschatte. En wie het huidige bestuursakkoord leest, kan niet anders dan besluiten dat Antwerpen zich vandaag allesbehalve voorbereidt op 600.000 Antwerpenaren tegen 2025-2030. Maar daarover meer in de vooruitblik.

Achtste halte: 1995-2006, of 12 jaar voorzitter van de gasintercommunale IGAO en ondervoorzitter van de kabelintercommunale Integan. Boeiende beheersmandaten, met politiek werk achter de schermen, om stappen te zetten voor een rationeler energiegebruik, om projecten van groene stroom te ondersteunen, om de invloed van Electrabel te verminderen of om de stad van voldoende dividenden te voorzien. Via Integan was ik betrokken bij de razendsnelle evolutie van de wereld van kabel, glasvezelverbingen, digitale pakketten en gsm-operatoren. Toch blijft het merkwaardig hoe gemeenteraden en schepencolleges belangrijke participaties in deze sectoren vaak onvoldoende opvolgen, laat staan dat ze er strategisch beleid proberen te voeren. Antwerpen kan hier van Gent iets leren.

Negende halte: 2003 en de VISA-crisis. Een politiek kantelmoment voor de stad, en een weinig orthodox startpunt voor een verdere professionalisering van het bestuur. Het aantreden van Patrick Janssens, de veroordeling van enkele topambtenaren. Maar ook: een periode waarin vele mensen werden meegesleurd in een sfeer van wantrouwen. Honderden keren iets mogen uitleggen waar zelf je niet rechtstreeks bij betrokken bent: zoiets vreet aan engagement. Politiek draait in belangrijke mate op vertrouwen. Wanneer dat wegvalt, verliest iedereen. De manier waarop de VISA-crisis verliep, was allesbehalve een fraai schouwspel. Al is de stad achteraf gezien misschien wel beter van geworden…

Tiende halte: 2007-2012. In 2006 geef ik de fakkel door aan Freya Piryns in de gemeenteraad. En ik begin aan een mandaat dat me meer heeft geraakt dan al het voorgaande. Aan de slag voor zes jaar als OCMW-raadslid, met Monica De Coninck en later Leen Verbist als voorzitters. De voorbije 18 jaar had ik in de gemeenteraad het sociaal beleid opgevolgd, van de eerste armoedefondsen tot het Sociaal Impulsfonds en het Stedenbeleid. Als socioloog werkte ik mee aan de Jaarboeken Armoede en Sociale Uitsluiting. Maar de directe confrontatie met armoede en migratie in de OCMW-bijstandscomités leerde me pas echt de realiteit en dynamiek van stedelijke armoede en migratie kennen die in te veel wetenschappelijke studies nog ontbreekt. Ik ondersteunde het OCMW waar het kon, gaf voorzette tot vernieuwing, probeerde sociale rechten te vrijwaren, maar zette ook de hakken in het zand: wanneer het stadsbestuur de nodige middelen niet wou vrijmaken, wanneer de ‘voor-wat-hoort-wat’ logica dreigde door te slaan in uitsluiting, of wanneer men een onaanvaardbaar onderscheid wilde maken al naargelang de herkomst of het statuut van mensen.
Het Antwerpse OCMW werkt 52 weken op een jaar, ook de raadsleden. Vele duizenden dossiers heb ik gelezen en wekelijks de horingen met hulpvragers bijgewoond. Het heeft me meer geleerd dan vele boeken. Het heeft me respect bijgebracht voor de strijd van mensen in armoede, maar ook oog leren krijgen voor overlevingsstrategieën of perverse effecten van beleid. En respect voor alle hulpverleners en, sociaal werkers in het veld.

Van terugblik naar vooruitblik.

Het werk in het OCMW heeft het me ook meer inzicht in en voeling met de snel groeiende superdiversiteit doen krijgen. Die zien we niet alleen in Antwerpen, maar eigenlijk in alle grote(re) Europese steden. Het is een realiteit waar velen nog niet weten hoe er mee om te gaan. Over die uitdagingen en over het armoedebeleid in Antwerpen, daarover wil ik het vooral hebben. Wordt dit weekend vervolgd in een vooruitblik, over de uitdagingen voor een sociaal beleid de volgende jaren in onze veelkleurige metropool…

Een stadsgedicht, nu het nog kan

Nieuwe commentaar toevoegen

Aan de vooravond van gedichtendag wil de N-VA in Antwerpen blijkbaar de functie van stadsdichter afschaffen. Mogen in deze metropool binnenkort alleen nog dorpsdichters actief zijn?

Nu het nog mag, hierbij een stadsgedicht van Ramsey Nasr uit 2005. Het blijft nog steeds één van mijn favoriete stadsgedichten. Nog steeds even actueel. Of is het, actueler dan ooit...?

Het huis van honing en melk

De vrouw op het statige Zuid bestaat niet. Overdag begraaft ze zichzelf.
Ze huurt de seconden en uren af in een dure onzichtbare stad.
Het huis dat de vrouw bewoont bestaat niet. Ik weet waar. In deze straat
ligt het stiltegebied van de woondienst, een gat gevuld met kamers.

De vrouw, die het huis niet verlaat, maanbleek en onderkomen is,
woont niet echt in een goor donker hol achter de Volksstraat.
Zoiets kan niet, dat bestaat niet. Ze woont niet echt, maar alsof.
Dit verheldert de zaak: ongeldige vrouw heeft zich als nacht verstopt.

De vrouw met man en vier kinderen heeft geen recht op honger,
geen reden tot licht, elektro of warm water. Ze mag niet klagen.
Ze mag hier niet werken zolang ze niet bestaat. En vooral vice versa.
Tot die tijd moet ze weg. Het systeem werkt m.a.w. perfect.

De kinderen - één, twee, drie, vier – de kinderen zijn net echt.
’s Nachts niet, dan slapen ze tussen strontlucht en kakkerlakken
samen op de vochtige grond. Niet echt: ze doen alsof. In elk geval
zie ik er ’s ochtends drie naar een propere school vertrekken.

Die school bestaat. Vrienden van mij sturen hun dochter ernaartoe.
De school heeft een naam, een stedelijk goede naam op ’t Zuid.
De school treft geen blaam. Men zag er drie kinderen in een klas
elke dag hun ogen stijf toeknijpen, niemand wist wat het was.

Het was het zonlicht. Vier kinderen groeien, nogmaals, op in een hol.
Eén dochter heet Noer, zij werd zes in het donker. Ze spreekt Vlaams.
Noer bestaat, ze is een illegaal halflicht met de zieke ogen van een mol,
de natte longen van een zeehond en een hart dat ze hier heeft opgedaan.

Er is ook een weldoener. De weldoener bezit het huis dat niet bestaat.
Zonder hem geen ongedierte, monoxide of kans op ontploffing op ’t Zuid.
Ontploft de boel, dan verbrandt misschien het gezin, maar ook het huis.
Daarom vraagt de weldoener geld. Om wel te kunnen blijven doen.

Weldoeners weten: elke mens is een vierkante meter, elke meter
een luxeleven voor wie weinig excuus of geen enkel bezit.
Weldoeners lichten op in de duisternis. Ze verhuren een aambeeld
om in te wonen. Slaan erop totdat het bloost. Tot het bloost als een matras.

Antwerpen, gij zijt een schone stad, gevuld met onzichtbare wanhoop.
De huurders van uw paradijs zochten hogere honing en appelspijs.
Men gaf ze bittere bijen te eten, loodwitte melk. Nog bleven ze bij u.
Zegt gij het dan. Wat moet een mens met zijn vreemden aanvangen?

Antwerpen zeg ons, wat doen wij straks als de kakkerlakken zijn bekeurd,
de gaten in hechtenis genomen, de schimmels bewaard voor het archief?
Wat doen we met het overschot? Wat doen we met kind 1, 2, 3 & 4?
Ze zijn volledig opstapklaar. Gelukkig bestaan er formulieren.

’t Is goed in de eigen stad te kijken. Ook wij willen weldoen. Wij willen
onze illegalen tellen, namen geven en ingeburgerd wegsteken in een cel,
een hol met hek. Maar zèg dat dan gewoon. Spreek helder Vlaams en zeg:
duik in vogelvrije vlucht omlaag, omlaag naar het licht van de Schelde.

(copyright Ramsey Nasr stadsgedicht 2005)

warme wensen in tijden van verharding...

Nieuwe commentaar toevoegen

Warme wensen voor een jaar met ruimte voor ontmoeting, openheid, ontroering - en misschien zelfs breekbaarheid? - als tegengif in deze tijden van verharding...
Een jaar met ruimte voor nuance en gelaagdheid, en met stof tot nadenken, zoals in dit gedicht van Peter Verhelst...

"Kun je een vaas haar breekbaarheid verwijten
of een hand het breken van de vaas?
Misschien is het zo bedoeld
dat de vaas de hand op zich af zingt,
zodat de hand niet kan weerstaan,
hoewel de hand weet dat hij slaat
en in de vaas al scherven zingen
voor ze zijn ontstaan.

Waarom zou de hand verlangen naar een vaas
die, als een hals, zich uitstrekt naar de hand
die haar wil slaan? En waarom wil de vaas
haar scherven naar de oppervlakte zingen
zodat de hand haar niet langer kan weerstaan?

Misschien droomt de vaas wel van de hand
een roos te maken, wil de hand op zoek gaan naar de vaas
om eindelijk de scherf te vinden
waarmee hij rozen uit zijn eigen pols kan slaan."

Vaas – Peter Verhelst
Uit: Nieuwe sterrenbeelden, Prometheus Amsterdam, 2008.