een leestip in afwachting van de klimaattop

Nieuwe commentaar toevoegen

Nog enkele weken, en de wereld-klimaat-top in Kopenhagen vindt plaats. De beslissingen daar zijn cruciaal voor de toekomst van onze planeet. Een een gebrek aan beslissingen evenzeer.

Het gevoel van dringendheid lijkt echter stilaan plaats te maken voor de klassieke politieke debatten. Wij willen alleen maar als ook de anderen, als wij dit doen, dan moeten ook, ... Ondertussen tikt de klok. Misschien zou het goed zijn moesten alle betrokkenen nog eens de wetenschappelijke rapporten van het IPCC en zovele andere instanties doornemen.

Eén leestip is alvast het pas verschenen boek 'Terra Reversa. De transitie naar rechtvaardige duurzaamheid' van Peter Tom Jones en Vicky De Meyere. Zij laten ons zien dat we als mensheid hopeloos vastlopen, maar ook hoe we het roer kunnen omgooien. Niet de problemen staan centraal in Terra Reversa, maar de oplossingen. De auteurs bespreken nieuwe veranderingsmodellen zoals transitiemanagement en het 4E-model, en integreren die in een nieuwe visie op de omschakeling naar een ander samenlevingsmodel: een sociaal-rechtvaardig, ecologisch duurzaam en economisch stabiel model. Na de analyse van de sociaal-ecologische crisis in Terra Incognita (2006) toont Terra Reversa de weg naar een Green New Deal XL.

Reële oplossingen voor de complexe vraagstukken van vandaag zijn geen utopie, op voorwaarde dat we bereid zijn de platgetreden paden te verlaten. Terra Reversa is een wervend pleidooi voor een andere samenleving, waar levenscomfort, rechtvaardigheid, ecologische duurzaamheid en zinvolle werkgelegenheid centraal staan. Ideale lectuur voor deze warme nazomerweek, begin november.

Colofon: isbn: 9789064455438 · 2009 - co-editie met Uitgeverij Jan Van Arkel · paperback (13,5 x 21,5 cm) - 360p. · prijs: € 14.95

Meer info op www.petertomjones.be

Onthaasting en stress

Nieuwe commentaar toevoegen

Net nu deze federale regering tijdskrediet wil ontmoedigen, lanceert de CM haar campagne tegen stress. Op www.doejemee.be staan allerhande stresstips en in De Zondag van dit weekend zit een bijlage rond stress. Eén op vijf werknemers kampt met stress, volgens de CM. Voor onze gezondheid en levenskwaliteit is het daarom voor vele mensen cruciaal wat gas terug te nemen. Daarom reikt de CM allerhande tips aan om met stress om te gaan.

Er is echter heel wat meer nodig dan individuele stresstips in een verder versnellende samenleving. In mijn boek ‘Onthaasting. Op zoek naar tijd in de risicomaatschappij’ toonde ik hoe we ons laten meeslepen in die maatschappelijke versnelling en hoe die groeiende tijdsdruk onze levenskwaliteit kan aantasten. In 'We consumeren ons kapot' lag de focus op de consumptiedruk, die onlosmakelijk samenhangt met tijdsdruk.

Tijdsdruk heeft immers niet alleen met individuele keuzes te maken, maar ook met de organisatie van onze economie, van ons werk, van ons verkeer, van onze samenleving. Het gaat er om of mensen al of niet de keuze krijgen om minder te werken, of ze zelf hun uren kunnen bepalen, of er voldoende kinderopvang is, en of ze toegang hebben tot tijdskrediet. Maar investeren in maatregelen die mensen helpen om tot een betere en meer duurzame combinatie van arbeid en gezin te komen, liggen vandaag onder bezuinigingsvuur.

Laat ons daarom stress en tijdsdruk niet alleen te lijf willen gaan met tips om te ont-stressen. Maar laat ons werk maken van een maatschappelijk debat over tijdskeuzes en tijdsdruk, over levenskwaliteit en de nood aan onthaasting. Want het debat over onthaasting blijft ook anno 2009 brandend actueel .

De financiële crisis en de risicomaatschappij

Nieuwe commentaar toevoegen

Goed één jaar geleden bereikte de financiële crisis ook in België een hoogtepunt. De reddingsoperaties van Fortis, Dexia, Ethias, KBC en anderen volgden elkaar aan een razendsnel tempo op. Deze weken blikten alle kranten terug op het voorbije jaar.

Ondertussen kent de economie wereldwijd een crisis als gevolg van een doorgeslagen casinokapitalisme. Ondertussen ook verdringt die financiële en economische crisis andere problemen. Hoewel de wereldwijde klimaatconferentie van Kopenhagen eind dit jaar razendsnel nadert, is er amper aandacht voor.

Net één jaar geleden publiceerde ik in Samenleving en Politiek het artikel ‘De financiële crisis en de risicomaatschappij’, waarin ik verder bouwde op mijn boek ‘Onzekerheid. Over leven in de risicomaatschappij.' Ook na alle turbulente ontwikkelingen het voorbije jaar blijft de analyse actueel. Want waar de financiële wereld na massale overheidsinterventie stilaan terugkeert naar business as usual, blijven structurele hervormingen beperkt. Zo dreigen in onze risicomaatschappij steeds meer risicodomeinen aan een structurele controle te ontsnappen. Zowel de financiële sector als de klimaatcrisis zijn daar voorbeelden van. Of komen we toch nog tot meer structurele hervormingen?

Meer lezen? Zie ‘De financiële crisis en de risicomaatschappij’ (verschenen in Samenleving en Politiek, nr. 9, oktober 2008)

Integratie als strategisch concept

Nieuwe commentaar toevoegen

Vlaanderen kiest deze dagen volop voor polarisatie met de verharding van het hoofddoekendebat. Niet de structurele ongelijkheid in onderwijskansen en –resultaten staat daarbij centraal, maar de vraag of moslimmeisjes wel of niet hun hoofddoek mogen ophouden op school. Is dit een zoveelste illustratie van een oprukkend neo-racisme en culturisme, zoals de Nederlandse socioloog Willem Schinkel het noemt? Op zoek naar andere stemmen en/of meer nuance in het debat las ik de voorbije weken het boek ‘De gedroomde samenleving’ van Schinkel. Het boek is verfrissend én teleurstellend tegelijk, maar wel aan te raden lectuur om te kijken achter de sluiers van het denken in tijden van hoofddoekfixatie. Of wat we (niet) kunnen leren van Willem Schinkel...

Willem Schinkel is theoretisch socioloog aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en kreeg enige bekendheid in 2007 met zijn boek ‘Denken in tijden van sociale hypochondrie’. Als samenleving gedragen we ons volgens hem ‘hypochondrisch’, omdat we ons krampachtig fixeren op alle mogelijke ziektes en bedreigingen die ons en de eenheid in onze samenleving kunnen bedreigen. We zijn daarbij voortdurend op zoek naar eenheid en orde. In zijn laatste boek ‘De gedroomde samenleving’ werkt hij dit verder uit ten aanzien van ons [integratie]debat. Hij zet zich daarbij uitdrukkelijk af tegen Paul Scheffer en zijn ‘Land van aankomst’. Scheffer domineerde de afgelopen jaren het [integratie]debat met zijn oproep voor gedeeld burgerschap en legde daarbij ook een belangrijke verantwoordelijkheid bij migranten. Scheffer situeerde zich daarbij op de zeer dunne lijn tussen [integratie] en assimilatie, tussen responsabiliseren, culpabiliseren en culturaliseren.

Schinkel tapt uit een heel ander vaatje, wanneer hij provocerend pleit voor een afschaffing van het hele [integratie]beleid. Volgens hem maken we ons ‘op een sociaal-hypochondrische wijze’ druk om [integratie]. Hij zet dat woord tussen haakjes, omdat [integratie] voor hem veeleer een symbool is. Het benadrukken van [integratie] is bedoeld om de scheiding tussen ‘leden van de samenleving’ en ‘niet-geïntegreerden op te heffen, maar draagt daardoor juist bij aan de voortdurende uitsluiting van diegenen van wie de [integratie] wordt geproblematiseerd. Zo komen we tot een (door sommigen bedoelde, maar door velen onbedoelde) radicale uitsluiting van mensen met een ‘andere cultuur’. Tegenwoordig gaat het daarbij vaak om moslims.

Onbewust vertrekken we daarbij van een erg organische en statische kijk op de samenleving als een afgebakend en af te bakenen geheel. Daarbij negeren we dat diegenen die nog moeten ‘integreren’ ondertussen ook al deel zijn van onze samenleving, zij het van een veranderde en nog sterk veranderende samenleving. In dat opzicht noemt Schinkel het gebruik van de term (of het symbool) [integratie] bijzonder productief, maar anders dan we denken: het helpt om de problematiek in stand te houden. Juist de aandacht voor [integratie] houdt de scheiding tussen ‘de samenleving’ en de ‘niet-geïntegreerden’ in stand die het met de beste bedoelingen wil overbruggen.

Het concept [integratie] is en werkt normatief. Het draagt bij aan het creëren van een beeld van wat onze samenleving juist is. Die werking van de notie [integratie] analyseert Schinkel uitgebreid in wat hij ‘een diagrammatica van [integratie]’ noemt. Aan de ene kant individualiseert de notie [integratie]: individuen moeten zich integreren. Aan de andere kant desindividualiseert het ook: het gebrek aan [integratie] wordt al snel verbonden met dé cultuur van Ali of Mohammed.

Schinkel wijst ook op de eenzijdigheid van het [integratie]-onderzoek. Bij mensen van andere etnische afkomst wordt [integratie] ondermeer gemeten door het aantal contacten met autochtonen. De vraag hoeveel contacten die autochtonen dan hebben met mensen van andere etnische afkomst, wordt niet eens gesteld, laat staan in termen van [integratie] in een steeds meer diverse samenleving. ‘Normal science’ wordt daarbij ‘normalizing science’, vat Schinkel zijn kritiek op de meerderheid van het sociologisch onderzoek samen.

Toch is net op dat [integratie]discours een deel van het debat over burgerschap geënt, waarbij steeds vaker een moreel burgerschap het formele burgerschap overheerst. Het moet een actief, constructief burgerschap zijn. Net zoals [integratie] wordt zo ook burgerschap tot een symbool dat de grenzen tussen ‘in’ en ‘uit’ versterkt.

Het centrale punt van Schinkel is dat spreken over [integratie], met welke bedoelingen ook, steeds een strategisch spreken is en onmogelijk neutraal kan zijn. Het is evenmin machtsvrij. Die macht is productief in het afbakenen van de samenleving, maar werkt tegelijk uitsluitend. In feite vertrekken we van een wensbeeld van wat de samenleving is of zou moeten zijn, van een ‘gedroomde samenleving’, die een ‘zuivere’ samenleving is. Hierop is ook de ‘[integratie]markt van welzijn en geluk’ gebaseerd, die niet alleen integreert, maar vooral ook normaliseert. Het wordt een markt ‘van eenheid en orde’.

In het derde hoofdstuk bekritiseert Schinkel de culturalisering van het debat. Structurele achterstelling van migranten inzake inkomen, arbeidsmarktpositie, onderwijskansen en huisvesting worden steeds vaker als culturele problemen behandeld. Stilaan groeien we door naar een extreme vorm en pervertering van culturalisme, die Schinkel ‘culturisme’ noemt, wat aanleiding geeft tot racisme waarbij de notie ‘ras’ is vervangen door ‘cultuur’. In deze ‘culturistische’ fase bepleit men de assimilatie van migranten die hun cultuur moeten aanpassen. [integratie] wordt dan een eenzijdig proces. Kenmerkend is dat men steeds de cultuur (van de migranten) als achterliggende oorzaak van de meest uiteenlopende problemen ziet, omdat die niet past bij de dominante cultuur. En opnieuw versterkt dit de scheiding tussen ‘de samenleving’ en de ‘niet-geïntegreerden’.

In zijn slothoofdstuk analyseert Schinkel de discoursmechanismen van wat hij het hedendaagse ‘multiculturealisme’ noemt. We moeten vandaag immers realist zijn en toegeven deat de idee van een multiculturele samenleving niet heeft gewerkt. Het verdedigen van de multiculturele samenleving veroordelen we als een verouderd, politiek correct links denken, waarbij het afstand nemen van dat denken ondertussen het nieuwe, dominante politiek correcte denken is geworden. Toch wordt dit verhult door een underdog-positie te blijven koesteren. Zo herhaalt Schinkel zijn basisstelling dat met taal voortdurend op een strategische manier wordt omgegaan en dat het [integratie]discours zo de scheiding tussen ‘de gevestigden en de buitenstaanders’ reproduceert.

Schinkel eindigt zijn boek dan ook met een (normatieve) oproep om op een geheel andere manier over [integratie] te spreken. Enkel door een creatieve transformatie van dat discours kan een ander perspectief ontstaan. Daarom moeten we – zoals Schinkel poogt – de paradoxen in het huidige discours expliciet maken en de contradicties blootleggen. In plaats van zoals vandaag eenzijdig [integratie] te meten, zou de sociologie juist het [integratie]discours moeten analyseren en blootleggen hoe we ‘samenleving maken’, ook doorheen de taal. Want door de vanzelfsprekendheid spreekt de macht.

Het zal duidelijk zijn: wie pasklare antwoorden zoekt, blijft op zijn honger zitten. Schinkel heeft op twee punten een verfrissende inbreng in de debatten. Het hele boek door confronteert hij hoe alle taalgebruik – ook ons taalgebruik – over [integratie] strategisch en normatief, machtsbeladen en uitsluitend werkt. Ten tweed toont hij aan hoe een doorgeslagen focus op cultuur niet alleen de structurele maatschappelijke achterstellingen naar de achtergrond verdringt, maar ook individualiseert en leidt tot vormen van neo-racisme. Beide inzichten kunnen het debat opentrekken en beter kaderen, iets wat bv. in het hoofddoekendebat echt wel mag. Want waar zien we daar voorstellen voor de structurele ongelijke kansen en uitstroom in het onderwijs? Of wat bedoelen we met [integratie] ten aanzien van zelfbewuste, zich scholende en opwerkende jonge vrouwen, met en zonder hoofddoek, die nu het onderwerp (of lijdend voorwerp) van het hoofddoekendebat zijn?

Tegelijk stelt Schinkel’s boek teleur. Methodologisch omdat het zelf paradoxaal en contradictorisch is; want als geen ander moet Schinkel weten dat ook zijn discoursanalyse en ‘deconstructie’ van het debat strategisch is en/of strategisch wordt gebruikt. Maar bovenal is het teleurstellend omdat het onvoldoende bijbrengt aan – en nu moet ik opletten welke strategische taal ik hanteer – oplossingsstrategieën die kunnen bijdragen aan de emancipatie van (al dan niet) etnische groepen onderaan de sociale ladder, of aan een meer eigentijdse invulling van wat dan de (al dan niet multicultureel genoemde) samenleving van de 21ste eeuw is. Ook zonder migratie heeft een land, een samenleving en een democratie nood aan een beeld of beelden van burgerschap. Schinkel heeft gelijk dat de huidige invulling ervan bijzonder strategisch is vanuit de meerderheidscultuur, maar wat is dan dat ‘andere discours’ dat hij bepleit? ‘De gedroomde samenleving ‘ is een spiegel die een deel van onze samenleving en ons discours in beeld brengt en ons doet nadenken over het strategische van onze taal. Maar om de structurele achterstellingen en uitsluitingsmechanismen in de samenleving aan te pakken, of om de groeiende culturele conflicten emanciperend te maken, zal meer nodig zijn. Dat debat dringt zich dag na dag sterker op.

Willem Schinkel, 2008. De gedroomde samenleving. Kampen, uitgeverij Klement, 160 p.

Vlaamse canon sociaal werk voorgesteld

Nieuwe commentaar toevoegen

Ook Vlaanderen heeft nu een canon van het sociaal werk, een aanrader voor iedereen in het sociale veld. Die canon is dit weekend voorgesteld op de open monumentendag rond zorg, in het Maagdenhuis van het Antwerpse OCMW.

Het doel van de Canon Sociaal Werk is studenten, professionals en beleidsmakers inzicht te geven in de geschiedenis van het sociaal werk, waarbij sociaal werk breed wordt opgevat. Het motto is dat kennis nemen van het verleden een investering is in de kwaliteit van het professionele handelen in het heden. De canon wil een laboratorium zijn waarin de lessen van een rijke geschiedenis naar de dagelijkse praktijk kunnen worden vertaald. Naast de Vlaamse versie bestaat er ook een Nederlandse canon én een internationale canon.

De canon is opgebouwd uit historische en actuele' vensters die sleutelmomenten en sleutelfiguren situeren. Verder zijn er ook een aantal inhoudelijke essays die cruciale spanningsvelden in het sociaal werk aansnijden. Samen met Kristel Driessens schreef ik 'Individu en/of structuur? Of wat wil het sociaal werk aanpakken?'. Sociaal werk wil immers veranderen, wil werken aan een wereld met meer rechtvaardigheid en met mensen die sterker en vrijer zijn. Maar hoe wil het sociaal werk dat bereiken? Wie of wat moet dan veranderen: het individu of gezin dat beroep doet op het sociaal werk, of de omstandigheden waarin het vertoeft, de maatschappelijke structuren, de samenleving?

Heeft het zin om individuen en hun individuele leefsituatie te veranderen als de samenleving ze blijvend uitsluit en marginaliseert? Of omgekeerd: zou een rechtvaardige samenleving het sociaal werk overbodig maken, of blijven er – ook in de meest rechtvaardige samenleving die we kunnen dromen – toch nog of zelfs vooral individuele hulpvragen? In de jaren zeventig zijn over de spanning tussen individu en structuur felle discussies gevoerd. Ook vandaag leven deze vragen nog, maar onderhuids. We schetsen in dit essay de historische wortels van dit dilemma tussen individuele en structurele hulpverlening.

Kortom: lees- en reflectiemateriaal voor al wie actief is in het sociale veld.