Geluk, gelijkheid en duurzaamheid

Nieuwe commentaar toevoegen

Meer groei maakt ons niet langer gelukkiger. Het is een tegendraadse boodschap in deze crisistijden. Bovendien botst het klassieke groeibeleid op de grenzen van onze planeet.

Meer ongelijkheid lijkt ons bovendien minder gelukkig te maken. En hoe groter de ongelijkheid in een land, hoe groter de welzijns- en gezondheidsproblemen bij inwoners. Omgekeerd gaat minder ongelijkheid samen met minder welzijnsproblemen. Moeten we dan onze basisopties voor het economisch en sociaal beleid niet dringend herdenken?

Iedere generatie groeit op met enkele basisboeken die hun maatschappijbeeld kleuren. Vandaag zijn dat vooral neo-liberale denkkaders. Toch zijn er ook telkens cruciale tegengeluiden. ‘The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better’ is zo’n kritisch en confronterend boek. Het past in een bredere stroom van publicaties die vraagtekens plaatsen bij het neoliberale economische model dat ondanks de zware financiële crisis toch dominant blijft. Hoe relevant zijn deze nieuwe inzichten over geluk, welzijn en duurzaamheid voor het sociale veld en voor de gehele samenleving? Kunnen ze nieuwe bouwstenen aanreiken voor een revitalisering van structureel sociaal werk?

Die vragen werk ik uit in een het artikel 'Geluk, gelijkheid en duurzaamheid. Bouwstenen voor structureel sociaal werk' dat deze week in het nieuwe numer van Alert is verschenen. In het artikel verbind ik het werk van Wilkinson en Picket met Richard Layard's boek 'Waarom we niet gelukkig zijn' en met Tim Jackson's 'welvaart zonder groei'. Stof genoeg voor discussie. U vindt het artikel hier.

Voor wie hoort wat?

Nieuwe commentaar toevoegen

Vorige week stelde Patrick Janssens zijn boek 'Voor wat hoort wat' voor. Een belangrijk boek, over de toekomst van het sociaal beleid in de stad en in onze welvaartsstaat. En dus een debat meer dan waard. Vandaag publiceerde De Standaard een eerste reactie van Meyrem Almaci, Freya Piryns en mezelf. U vindt het opiniestuk ook hier.

Voor wie hoort wat?
Met ‘Voor wat hoort wat’ levert Patrick Janssens de sterkste one-liner voor activering tot nog toe. Een slogan die de verdediging vormt van zijn sociale beleid, maar ook een voorsmaakje van wat komt. Met het boek start hij een belangrijk debat over de toekomst van de sociale zekerheid en van sociaal beleid in een steeds diversere stad. Dat debat is nodig.

Als groenen maken ook wij ons zorgen over het dalende draagvlak voor sociaal beleid. En jawel, ook wij vinden dat uitkeringen en sociale voorzieningen niet vrijblijvend mogen zijn en dat mensen de verantwoordelijkheid hebben om kansen te grijpen. Ook wij willen een sociaal beleid dat bijdraagt aan integratie in de stad. Hoe maken we van stad en OCMW – meer dan vandaag - emancipatiemachines, waar oude en nieuwe stadsbewoners hun leven kunnen uitbouwen en vooruitkomen?
Voor wie hoort wat?

Toch bekruipt ons na lezing een gevoel van eenzijdigheid. In het pleidooi van Janssens dreigen kostbare evenwichten verloren te gaan. Niet toevallig vinden zowel Bea Cantillon als Frank Vandenbroucke ‘voor wat hoort wat’ een te beperkte visie op ons sociaal model. Deze invulling van wederkerigheid gaat te kort door de bocht. Voor ons moet een sociaal beleid van de stad zowel eerlijk als effectief zijn.

De vraag ‘Voor wie hoort wat’ is essentieel. Het nieuwe sociaal contract van Janssens moet er vooral komen met de ‘lastige’ klanten: de mensen met lage inkomens, leefloners of nieuwkomers. Bea Cantillon slaat echter de nagel op de kop, als ze stelt dat ‘wederkerigheid een houding zou moeten zijn die niet alleen van de zwakken in de samenleving wordt geëist maar ook van de sterken. Wederkerigheid mag niet uitsluitend van de leefloontrekkers verwacht worden, maar geldt voor álle gebruikers van voorzieningen van de welvaartstaat, ook en vooral voor de sterkeren.’ De stralende 'A' mag geen wrange bijsmaak krijgen van A- en B-burgers.

De dunne lijn naar uitsluiting

Het voorgestelde ‘nieuw sociaal contract’ wil meer wederkerigheid van wie beroep doet op de welvaartsstaat. Maar meer verantwoordelijkheid mag niet leiden tot minder rechtvaardigheid. Het Antwerpse OCMW is niet alleen meer een laatste vangnet, maar voor vele nieuwkomers ook een eerste opstap. Het doorgedreven activeringsbeleid kent succes.

Maar ‘Voor wat hoort wat’ kan ook doorslaan. Hetzelfde OCMW gaat nu reeds verder in de wederkerigheid dan het boek bepleit. Het eist niet alleen wederkerigheid vanaf het moment dat iemand beroep doet op sociale voorzieningen, maar stelt het steeds vaker als voorafgaande voorwaarde, iets wat in het verleden moest zijn gerealiseerd. Het OCMW weigert bijna systematisch steun aan behoeftige EU-onderdanen, bij gebrek aan wederkerigheid in het verleden. Omdat mensen hun verleden zelden kunnen veranderen, blijven ze nu behoeftig. Het Antwerpse OCMW schafte ook zijn huur- en verwarmingstoelagen af voor nieuwkomers, zolang ze in het vreemdelingenregister staan. De verhoogde aanvullende bijstand is er enkel voor mensen in het bevolkingsregister die ooit gewerkt hebben. Wederkerigheid versus menselijk waardigheid: het blijkt heel moeilijk balanceren op de smalle koord tussen ‘voor wat hoort wat’ en uitsluiting zonder laatste vangnet. Hoe ver kan je gaan in de bijstand door mensen die regulier verblijven geen of een veel beperktere toegang tot sociale voorzieningen te geven, zonder te discrimineren op basis van herkomst en zonder een onderklasse te creëren in de stad? Wat gebeurt er met die groep mensen? Dat is dé lacune in dit nieuwe boek.

De kritiek op de welzijnssector verdient een uitgebreider debat. Natuurlijk mag een stad resultaten vragen van sociale organisaties. Maar waar blijven de resultaatsverbintenissen van het stadsbestuur als het gaat om armoedebestrijding of voldoende sociale woningen? Het OCMW krijgt amper investeringsruimte, behalve voor ouderenvoorzieningen. Hoe rijmen we het te strakke budgettaire carcan van het OCMW met het principe van wederkerigheid in een stad waar de demografische en sociale uitdagingen sneller groeien dan het sociaal beleid? Het aandeel sociale woningen daalt, terwijl de bevolking en dus de prijzen sterk stijgen. Kinderopvang en scholen kennen een stijgend gebrek aan plaatsen. De wachtlijsten voor lessen Nederlands blijven onaanvaardbaar hoog. En iedereen weet hoe zwaar de stad kampt met tekort aan capaciteit in de bijzondere jeugdzorg, in de verslavingszorg, in de geestelijke gezondheidszorg, in begeleid zelfstandig wonen, … De Vlaamse overheid en de stad zullen hun sociale investeringsagenda drastisch moeten opdrijven om de groei van de stad en van haar sociale noden te kunnen volgen en aan te pakken.

Met wie beslissen we wat?

Blijft een laatste vraag: met wie beslissen we wat? Een nieuw sociaal contract is nodig, niet alleen omdat populistische kritieken het draagvlak van de welvaartsstaat onder druk zetten, maar vooral omdat met de globalisering het aantal stadsbewoners met een migratiegeschiedenis stijgt en zij al te vaak in armoede belanden. ‘Voor wat hoort wat’ zou al minder eenzijdig klinken wanneer het een verhaal in dialoog zou worden, en ook de ‘andere’ kant sterker aan bod zou komen. Wat brengen zij bij aan de stad?

Antwerpen loopt als sociaal laboratorium vooruit op de welvaartsstaat. Willen we sociale explosies vermijden, moeten we verder gaan dan het gevoerde beleid. Die issues aanpakken die ons nog pijn doen. Hoe en waarom vallen nog te veel mensen uit waar het beleid niet succesvol blijkt: de te grote groep schoolverlaters zonder diploma, de sociaal tewerkgestelden die erna niet aan een job geraken, de groeiende groep met psychische of verslavingsproblemen. Of de alleenstaande Turkse vrouw met vier kinderen wiens succesverhaal betekent dat zij terechtkomt in een hamburgerjob met onregelmatige uren en weekendwerk. Dan kan het enige antwoord van de stad toch niet nog flexibilere kinderopvang zijn? Stopt onze verantwoordelijkheid daar? Hoe gaat het verhaal van die kinderen verder? Antwoorden op deze vragen vereisen dialoog en een stadverbindend debat, zoals Vandenbroucke zo treffend verwoordde. Ook dat hoort bij een discours van rechten, plichten en verantwoordelijkheden. Dat debat moeten we dan wel met alle inwoners voeren.Want élke Antwerpenaar verdient het perspectief op vooruitgang, op de stralende ‘A’.

Dirk Geldof, socioloog en OCMW-raadslid
Freya Pirijns, fractieleidster gemeenteraad en senator
Meyrem Almaci, fractieleidster Kamer

(verschenen in De Standaard, 4 juli 2011)

Nood aan interculturalisering

Nieuwe commentaar toevoegen

Onze steden veranderen sneller dan onze manier van kijken, denken en handelen. Ze veranderen ook sneller dan onze hulpverlening, onze hulpverleners, onze methodieken en onze opleidingen. Dat is de basisstelling van het artikel ‘Nood aan interculturalisering. Steden verkleuren sneller dan sociaal werk’ dat ik schreef voor Alert.

Onze steden worden steeds gekleurder. Hoe groter de stad, hoe sterker en sneller dit proces. Voor hulpverleners in grote steden kleurt de etnische diversiteit hun werk. Meer dan één op drie Antwerpenaren behoort tot een etnisch-culturele minderheid. In een gespleten samenleving als de onze leven ze aan de onderkant van de sociale ladder. Dat vertaalt zich steeds meer in de hulpvragen. Bijna de helft van de klanten van de Antwerpse CAW’s heeft anno 2011 wortels in migratie. Bij het Antwerpse OCMW loopt dit op tot zo’n 70% van alle klanten. De verkleuring van de hulpvragers gaat veel sneller dan de toename van etnische diversiteit bij hulpverleners en opleidingen sociaal werk.

Bovendien komen bovenop gelijkaardige situaties van structurele achterstelling vaak culturele elementen. Wie hulp wil bieden op maat, zal ook de andere leefwereld moeten leren kennen. Of zal de 'witte' methodieken moeten aanpassen en vertalen.

Interculturalisering is dan ook dé uitdaging voor het werkveld, de opleidingen en de navormingen en sociaal-werk-onderzoek voor het volgende decennium. Zeker voor de grotere steden is het een onmisbare voorwaarde om kwaliteitsvolle hulpverlening te (blijven) bieden.

Fukushima en de risicomaatschappij

Nieuwe commentaar toevoegen

Uitgerekend vandaag, op een moment dat de onheilsberichten over het uitdijen van de nucleaire ramp in de kerncentrales van Fukushima elkaar uur na uur opvolgen, was de Duitse socioloog Ulrich Beck te gast in Brussel voor een boeiende lezing. In het debat van de Europese Spinelli Group tussen Ulrich Beck en Amin Maalouf ging over de Europese identiteit, maar minstens evenzeer over de zoveelste confronterende illustratie van Beck’s analyse van onze samenleving als mondiale risicomaatschappij.

Eigen aan de risicomaatschappij is dat we steeds meer risico's produceren die we eigenlijk niet langer kunnen controleren. Kerncentrales zijn er het typevoorbeeld van. Deze nucleaire ramp is (voorlopig nog) niet zo erg als de kernramp in het Russische Tchernobyl in 1986. Daar vielen tientallen doden en kregen sindsdien duizenden mensen vormen van kanker of leukemie. Tchernobyl was de grootste nucleaire catastrofe tot nu toe, een ramp waarvan ook vandaag nog niet eens alle slachtoffers geboren zijn. De volgende uren en dagen zullen cruciaal zijn om te kijken of men de escalatie in Japan kan stoppen.

Toch blijft de discussie voor vele mensen abstract: we zien noch ruiken radio-activiteit. Specialisten en media informeren ons over het onzichtbare gevaar, al dan niet met vertraging. De impact op de gezondheid – behalve bij zeer hoge dosissen - blijkt pas later. Ulrich Beck schreef ooit provocerend: stel dat radio-activiteit zou jeuken... Het zou een ander debat geven.

Ondertussen zijn we 25 jaar na de ramp in Tchernobyl, en bestaat de theorie van de risicomaatschappij net even lang. Zullen we deze keer wel lessen trekken?

Het volledige debat kan u hier zien.

Een stedelijke bevolkingsexplosie op komst

Nieuwe commentaar toevoegen

Antwerpen mag de volgende twintig jaar een bevolkingstoename verwachten van 15%, of ruim 70.000 extra inwoners tegen 2028. Dat is de omvang van een stad als Hasselt. Steden zitten in de 21ste eeuw opnieuw in een ontzettend sterke groeidynamiek. Na een halve eeuw stadsvlucht en bevolkingsafname kende Antwerpen al een aangroei met bijna 40.000 inwoners sinds 2000. Maar de uitdaging voor het volgende decennium is gigantisch. Dat bleek deze week op een boeiende studiedag met de voorstelling van de vijfjaarlijkse bevolkingsprojectie van de Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR).

Heel Vlaanderen kent opnieuw een bevolkingstoename. In 2028 zullen er in het Vlaamse gewest ruim 460.000 meer wonen dan in 2008, een stijging met 7%. Het grootste deel van de bevolkingstoename wordt op korte termijn verwacht. In 2018 zouden er al 6,5 miljoen Vlamingen zijn (+6%). In de steden gaat de toename samen met een sterke verkleuring van de bevolking. Er worden niet alleen meer kinderen geboren in de steden. Ook immigratie is in belangrijke mate een stedelijk fenomeen. Daarbij zijn de prognoses voor de steden naar alle waarschijnlijkheid nog een onderschatting. De lopende regularisatie zit immers nog niet in de prognoses, wat zeker voor Antwerpen een belangrijke impact zal hebben.

De vraag is dan ook hoe we steden als Antwerpen hun rol als emancipatiemachine kunnen laten vervullen. Voldoende betaalbare woningen op de privemarkt én in de sociale huisvesting zijn een basisvoorwaarde. Voldoende scholen ook, om de nieuwe babyboom op te vangen. Tegen 2018 zal Antwerpen 32% meer baby’s en peuters tellen, waar de wachtlijsten in de crèches nu al gigantisch zijn. Tegen 2020 mag Antwerpen ook 47% méér vijfjarigen tellen: er zal dus meer dan één lagere school moeten bijkomen de volgende jaren.

Hoe organiseren we ons voor deze stedelijke bevolkingsexplosie? Waar zullen we méér in moeten investeren dan vandaag: niet alleen om de vergrijzing op te vangen, maar voor de vergroening, met steeds meer kinderen in de stad. Hoe laten we de stad voor alle huidige en toekomstige bewoners werken als een emancipatiemachine?

De bevolkingstoename de voorbije tien jaar ging samen met een groeiende sociale polarisatie. Willen we dat vermijden, dan zullen we moeten investeren in een duurzame stad, met sociale cohesie en voldoende infrastructuur. Dat zou de inzet moeten worden van de gemeenteraadsverkiezingen van 2012, met de keuzes voor de toekomst van de kleine, maar steeds meer kosmopolitische stad die Antwerpen is. Want de demografische trendbreuk vereist ook een bijsturing én versterking van het stedelijk sociaal beleid.

(alle resultaten van de bevolkingsprognoses staan op de website van de Studiedienst van de Vlaamse regering )